Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beslissing
31 oktober 2017.
Hoge Raad
Op 12 november 2014 werd verdachte aangehouden in Utrecht wegens het opzettelijk vervoeren van bolletjes cocaïne en heroïne. Tijdens een fouillering op het politiebureau werd verdachte gesommeerd zijn onderbroek uit te trekken nadat een opsporingsambtenaar een vierkantvormig voorwerp in de onderbroek zag zitten. Verdachte weigerde aanvankelijk, maar deed dit later toch, waarbij hij een zwart etui tussen zijn benen klem hield. Bij het afpakken van dit etui bood verdachte verzet.
Het hof oordeelde dat het bevel om de onderbroek uit te trekken was gericht op het onderzoek van de kleding en niet op een onderzoek aan het lichaam zelf. Dit oordeel werd door de Hoge Raad niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd bevonden, mede gelet op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2013:BZ8248).
De bewezenverklaring steunde op proces-verbalen van politieambtenaren die de situatie en het verzet van verdachte nauwkeurig beschreven. Het hof verwierp het verweer dat sprake zou zijn geweest van een onrechtmatig onderzoek aan het lichaam en dat het bewijs daarom uitgesloten moest worden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verdachte en bevestigde daarmee het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 7 december 2015. Het bewijs van het bezit van de drugs werd daarmee geaccepteerd als rechtmatig verkregen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het bevel om de onderbroek uit te trekken was gericht op kledingonderzoek en het bewijs is rechtmatig verkregen.