Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beslissing
verwijst de zaak naar de rolzitting van 28 november 2017;
houdt iedere verdere beslissing aan.
21 november 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd beschuldigd van belaging en laster door het plaatsen van valse pizza-bestellingen en seksadvertenties op internet, gericht tegen twee betrokkenen. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte deze handelingen heeft verricht met het oogmerk de persoonlijke levenssfeer te schenden en de eer van de betrokkenen aan te tasten.
De bewezenverklaring was gebaseerd op diverse bewijsmiddelen, waaronder aangiften, verklaringen van betrokkenen, proces-verbalen van verhoren, en technische onderzoeken naar IP-adressen gekoppeld aan de verdachte's woning. Hoewel de verdediging aanvoerde dat het gebruik van het IP-adres onvoldoende bewijs was, oordeelde het hof dat de combinatie van feiten en omstandigheden dit wel aannemelijk maakte.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de juiste maatstaven voor bewijsvoering had toegepast en dat de klacht over het gebruik van het begrip 'aannemelijk' in de nadere bewijsoverweging niet tot cassatie kon leiden. De zaak werd daarom verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling, met het oog op aanvullende conclusies van de Advocaat-Generaal.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt bewezenverklaring en verwijst zaak terug voor nadere behandeling.