Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens overtreding van een gebiedsontzegging opgelegd door de burgemeester van Maastricht. Verdachte bevond zich op 14 april 2013 binnen het gebied waar hem een verbod was opgelegd zich te bevinden, anders dan in een openbaar vervoermiddel.
Het hof baseerde de bewezenverklaring op een proces-verbaal en een besluit van de burgemeester waarin het verbod was opgelegd en uitgereikt aan verdachte. De verdediging voerde aan dat niet kon worden vastgesteld of verdachte op de hoogte was van het verbod en verzocht vrijspraak. De Hoge Raad oordeelt dat een besluit pas in werking treedt na bekendmaking conform de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat het niet vereist is dat verdachte wist of had moeten weten van het verbod om tot bewezenverklaring te komen.
De Hoge Raad wijst op de mogelijkheid dat onbewustheid onder bijzondere omstandigheden relevant kan zijn voor een beroep op afwezigheid van alle schuld, maar dat dit niet aan de orde is in deze zaak. Het middel dat klaagt over de motivering van de bewezenverklaring faalt. Wel wordt geoordeeld dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dit leidt niet tot rechtsgevolgen gezien de lichte straf en de mate van overschrijding.
Uiteindelijk wordt het cassatieberoep verworpen en blijft het arrest van het hof in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewezenverklaring van overtreding van de gebiedsontzegging wordt bevestigd.