Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
5 december 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het Openbaar Ministerie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte, werkzaam als arbeidsdeskundige bij het UWV, werd vrijgesproken van ontucht jegens een cliënt in een re-integratietraject.
Het hof had geoordeeld dat voor toepassing van artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3°, Wetboek van Strafrecht, vereist is dat er sprake is van een formele behandelrelatie tussen de verdachte en het slachtoffer. Omdat verdachte formeel niet meer betrokken was bij het re-integratietraject van de aangeefster, sprak het hof hem vrij.
De Hoge Raad oordeelt dat deze uitleg te beperkt is. Artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3°, Sr kan ook van toepassing zijn indien er feitelijk sprake is van een relatie als bedoeld in die wetsbepaling, ook zonder formele behandelrelatie. Dit volgt uit eerdere jurisprudentie (HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2630).
Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde beoordeling op het bestaande hoger beroep. De zaak zal opnieuw worden behandeld met inachtneming van de juiste uitleg van de wettelijke bepalingen omtrent maatschappelijke zorg en ontucht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling met een bredere uitleg van maatschappelijke zorg.