ECLI:NL:HR:2017:34

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 januari 2017
Publicatiedatum
17 januari 2017
Zaaknummer
15/04236
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 ROArt. 531 SvArt. 3 Besluit van 17 oktober 2005 houdende nadere regels betreffende de kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid griffiersbetekening bij uitreiking gerechtelijke mededeling

In deze zaak stond de rechtsgeldigheid van een griffiersbetekening centraal, waarbij het middel klaagde dat de aantekening van het Openbaar Ministerie op de uitreiking ontbrak, waardoor de (appel)dagvaarding niet rechtsgeldig zou zijn betekend. Volgens art. 3 van Pro het Besluit van 17 oktober 2005 moeten gerechtelijke mededelingen in strafzaken op een bijzondere wijze aan de griffier worden betekend.

De Hoge Raad stelde vast dat op de akte van uitreiking was vermeld dat het gerechtelijk stuk was uitgereikt aan de (waarnemend) griffier van de rechtbank en dat de griffier de akte had ondertekend. Hierdoor kon worden aangenomen dat de bijzondere wijze van griffiersbetekening conform art. 3 van Pro het Besluit was toegepast.

Het middel kon niet leiden tot cassatie, omdat het geen rechtsvragen opriep die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoefden. De Hoge Raad verwierp daarom het beroep en bevestigde dat de griffiersbetekening in deze procedure rechtsgeldig was verricht.

De uitspraak benadrukt het belang van correcte griffiersbetekening en bevestigt dat een ondertekende uitreiking aan de griffier voldoet aan de wettelijke eisen, ook als een specifieke aantekening van het OM ontbreekt.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de rechtsgeldigheid van de griffiersbetekening.

Uitspraak

17 januari 2017
Strafkamer
nr. S 15/04236
CB/EC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 14 april 2015, nummer 23/004926-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], gevestigd te [plaats].

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G.E. Star Busmann, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren V. van den Brink en E.S.G.N.A.I. van de Griend, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
17 januari2017.