ECLI:NL:PHR:2022:505
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid hoger beroep wegens tijdige betekening dagvaarding en oproeping tenuitvoerlegging
De zaak betreft een verdachte die door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk is verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter Rotterdam van 29 april 2019, waarin hij veroordeeld werd wegens overtreding van artikel 107 lid 1 Wegenverkeerswet Pro 1994. De verdachte had de dagvaarding op 12 maart 2019 persoonlijk ontvangen, maar stelde pas op 20 september 2019 hoger beroep in, wat te laat was.
De Procureur-Generaal heeft in een aanvullende conclusie vastgesteld dat de eerdere conclusie waarin werd aangenomen dat de dagvaarding niet persoonlijk was betekend, moest worden herzien vanwege een later aangetroffen akte van uitreiking. Ook de oproeping tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke hechtenis is op correcte wijze betekend, zij het via een medewerker van het openbaar ministerie en met verzending aan de griffier en het adres van de verdachte.
De klacht van de verdediging dat de verdachte niet tijdig op de hoogte was gesteld van de behandeling van de vordering tot tenuitvoerlegging wordt verworpen. De Hoge Raad concludeert dat het hof terecht de verdachte niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens het niet tijdig instellen van hoger beroep. Er zijn geen gronden voor ambtshalve vernietiging van het vonnis.
De zaak illustreert de strikte toepassing van de regels omtrent betekening van dagvaardingen en oproepingen in strafzaken, en bevestigt dat tijdige en juiste kennisgeving essentieel is voor ontvankelijkheid in hoger beroep.
Uitkomst: De verdachte is niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het niet tijdig instellen daarvan na geldige betekening van de dagvaarding en oproeping tot tenuitvoerlegging.