Uitspraak
1.De bestreden uitspraak
2.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
6.Beslissing
3 oktober 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor mensenhandel en medeplegen van mishandeling. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaren en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd aan benadeelde partijen.
De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden. De stukken waren te laat door het hof ingezonden en meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Dit leidde tot een vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren naar acht jaren en zes maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de duur van de straf en sprak het arrest uit op 3 oktober 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen naar acht jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.