In deze zaak heeft de Hoge Raad geoordeeld over de uitleg van artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) met betrekking tot samenhangende zaken en de vergoeding van proceskosten voor rechtsbijstand.
De casus betrof vier bestuursrechtelijke zaken die gelijktijdig door de Rechtbank en het Hof werden behandeld. Het Hof had geoordeeld dat de werkzaamheden in deze zaken nagenoeg identiek waren en dat sprake was van samenhang gedurende de gehele procesgang, ook in hoger beroep, ondanks dat in één zaak een aanvullend geschilpunt speelde.
De Hoge Raad bevestigde dat samenhang per procesfase moet worden beoordeeld en dat nagenoeg identieke werkzaamheden in meerdere zaken samenhang kunnen vormen, ook als in één zaak een aanvullend geschilpunt aanwezig is. De beoordeling van samenhang moet zich beperken tot de proceshandelingen zoals die in de procedure zijn verricht, en niet tot alle voorbereidende werkzaamheden van de rechtsbijstandverlener.
Verder verwierp de Hoge Raad het standpunt dat gelijktijdige behandeling zich alleen kan voordoen bij zittingen, en bevestigde dat ook andere proceshandelingen tot samenhang kunnen leiden. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees geen proceskosten toe.