ECLI:NL:HR:2017:493

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2017
Publicatiedatum
23 maart 2017
Zaaknummer
16/02504
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand zonder tekortkomingen verhuurder

In deze zaak stond de ontbinding van een huurovereenkomst van woonruimte centraal vanwege een huurachterstand. De eiser, huurder, stelde dat er tekortkomingen waren aan de zijde van de verhuurder die ontbinding zouden moeten verhinderen. De zaak werd in eerste aanleg en hoger beroep behandeld, waarbij het gerechtshof Den Haag de ontbinding van de huurovereenkomst bevestigde.

De eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de aangevoerde klachten geen aanleiding geven tot cassatie. Daarbij is overwogen dat er geen sprake is van tekortkomingen van de verhuurder die de ontbinding in de weg staan.

De Hoge Raad verwijst naar de eerdere vonnissen en arresten van lagere instanties en bevestigt het oordeel van het hof. Het beroep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieproces. De uitspraak is gedaan door een kamer van drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontbinding van de huurovereenkomst wegens huurachterstand wordt bevestigd.

Uitspraak

24 maart 2017
Eerste Kamer
16/02504
TT/AR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.K. van der Brugge,
t e g e n
METTERWOON VASTGOED B.V.,
gevestigd te Den Haag,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en Metterwoon.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaak 2282775 CV EXPL 13-39223 van de kantonrechter te Rotterdam van 13 november 2013, 14 februari 2014 en 2 mei 2014;
b. de arresten in de zaak 200.149.962/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 juli 2014 en 26 januari 2016.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof van 26 januari 2016 heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen Metterwoon is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal W.L. Valk strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 10 februari 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Metterwoon begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, G. Snijders en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
24 maart 2017.