Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:587

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
4 april 2017
Zaaknummer
15/00909
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens onjuiste forfaitaire rente

In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel centraal, waarbij het hof een forfaitaire rente van 2% per jaar over het voordeel had meegerekend als vervolgprofijt. De betrokkene was veroordeeld tot betaling van een bedrag gebaseerd op de verkoop van tien scheepsauto's en vermeende renteopbrengsten.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof ten onrechte uitging van een forfaitaire rente als voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk had genoten, terwijl de maatregel reparatoir van aard is en moet uitgaan van het concrete voordeel. De forfaitaire rente kon niet zonder meer worden toegerekend als daadwerkelijk genoten voordeel.

De Hoge Raad vernietigde daarom het hofarrest voor zover het de betalingsverplichting betrof en bepaalde zelf een verminderd bedrag van € 174.034,78, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn en reeds beslagen bedragen.

Het arrest benadrukt het belang van een nauwkeurige bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en beperkt de toepassing van forfaitaire rente bij ontneming. Tevens werd het beroep voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 174.034,78 wegens onjuiste toepassing van forfaitaire rente bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

4 april 2017
Strafkamer
nr. S 15/00909 P
EC/SSA
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 6 februari 2015, nummer 23/004836-09, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft L.J. Woltring, advocaat te Haarlem, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de aan de betrokkene opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, tot vermindering van het te betalen bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste, het tweede, het derde, het vierde en het vijfde middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als in de wet bedoeld. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De als middel een tot en met vijf aangeduide klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.

3.Beoordeling van het zesde middel

3.1.
Het middel keert zich tegen het oordeel van het Hof dat tot het te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel behoort een bedrag ter zake van forfaitaire rente.
3.2.
Omtrent het vervolgprofijt heeft het Hof, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen en beslist:
"Wederrechtelijk verkregen voordeel
10 verscheepte auto's x € 18.267,45 (wederrechtelijk verkregen voordeel per auto) = € 182.674,50.
Vervolgprofijt
De advocaat-generaal heeft nadere financiële gegevens overgelegd van twee in beslag genomen bedragen, te weten € 3.330,- en € 2.355,-, welke bedragen respectievelijk € 1.158,99 en € 886,64 rente hebben gegenereerd (in totaal € 2.045,63). Naar het oordeel van de advocaat-generaal dient dit bedrag als vervolgprofijt te worden ontnomen.
Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat dit bedrag van € 2.045,63 als vervolgprofijt kan worden ontnomen.
Naar het oordeel van het hof dient daarnaast de forfaitaire rente van 2% (rentemaatstaf) over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,00 te worden ontnomen.
Het hof hanteert schattenderwijs als redelijke rentemaatstaf een percentage van 2% per jaar; hetgeen bezien over de gehele periode (van afgerond 8,5 jaren x 2% x € 176.989,50 neerkomt op een totaal bedrag (afgezien van rente over rente) van € 30.088,22, welk bedrag de veroordeelde aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen).
Het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel komt dan uit op afgerond € 209.123,00."
3.3.
Bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel dient, gelet op het reparatoire karakter van de maatregel als bedoeld in art. 36e Sr, te worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Gelet hierop geeft het oordeel van het Hof dat de forfaitaire rente van een bedrag van € 30.088,22 over het wederrechtelijk verkregen voordeel van € 182.674,50 minus de beslagen bedragen van € 5.685,- kan worden ontnomen omdat de betrokkene dit bedrag "aan rente heeft kunnen (doen) genereren dan wel aan rente heeft kunnen besparen (door geen geld te hoeven lenen)", blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel slaagt.
3.4.
De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid zelf de zaak afdoen door de door het Hof vastgestelde betalingsverplichting te verminderen met het bedrag van € 30.088,22 dat aan vervolgprofijt in de vorm van forfaitaire rente is ontnomen. Uitgaande van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 209.123,- en het door het Hof in verband met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro op de betalingsverplichting in mindering gebrachte bedrag van € 5.000,- zal worden bepaald dat de aan de betrokkene opgelegde verplichting tot betaling aan de staat een bedrag van € 174.034,78 bedraagt.

4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de aan de betrokkene opgelegde, en op grond van het hiervoor in 3.4 overwogene nader bepaalde, betalingsverplichting van € 174.034,78.

5.Slotsom

Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, doch uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
bepaalt de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 174.034,78;
vermindert dat bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 169.034,78 beloopt;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren H.A.G. Splinter-van Kan en V. van den Brink, in bijzijn van de waarnemend griffier A.C. ten Klooster, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
4 april 2017.