Conclusie
II. De namens de betrokkene voorgestelde middelen en de beoordeling daarvan
Algemene opmerking vooraf
Het eerste middel
6. De vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De handelshoeveelheid softdrugs mag ten hoogste 500 gram bedragen en mag enkel in de inleiding omschreven ruimten aanwezig zijn".
NJ2003/508 (Black Widow) tweemaal de term ‘in beginsel’ heeft gehanteerd in rov. 3.4.2. (die overweging is geciteerd door het hof, zie randnummer 10). De steller van het middel verbindt daaraan de volgende conclusie: “Door tweemaal de term “in beginsel” te gebruiken, heeft uw Raad – naar het oordeel van requirant uitdrukkelijk – doen uitkomen dat niet onder alle omstandigheden al het uit die handel in softdrugs verkregen voordeel geacht moet worden wederrechtelijk verkregen te zijn.” Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de Hoge Raad daarmee een zekere ruimte heeft willen laten aan de feitenrechter om tot een andere afweging te komen – dan dat overschrijding van het gedoogbeleid ertoe leidt dat al het uit de handel in softdrugs verkregen voordeel geacht wordt wederrechtelijk verkregen te zijn –, indien concrete feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. Als ik de steller van het middel goed begrijp, vindt hij dat het hof daaraan toepassing had moeten geven in de voorliggende zaak en dat de redenen daarvoor besloten liggen in de punten die bij pleidooi zijn voorgedragen, en had het hof nader moeten motiveren waarom het de volledige (bruto) winst uit de handel in soft drugs als wederrechtelijk genoten voordeel beschouwt.
welkegedoogvoorwaarde is overschreden: de voorwaarde die betrekking heeft op de ‘voordeur’ (verkopen etc. van softdrugs) of de voorwaarde die ziet op de ‘achterdeur’ (niet gedoogde en dus illegale productie en bevoorrading etc. die nodig is voor de gedoogde verkoop aan de voordeur). In het pleidooi van de verdediging is aangevoerd dat de betrokkene in de Black Widow-zaak grotere hoeveelheden softdrugs had verkocht dan op basis van de gedoogvoorwaarden was ‘toegestaan’, maar dat in de voorliggende zaak die grenzen aan de ‘voordeur’ nu juist niet werden overschreden.
NJ2003/508 (Black Widow) voortvloeien tegenstrijdig, onjuist of onbegrijpelijk uitgelegd, omdat uit de motivering van het hof niet kan worden afgeleid of het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd op de gehele (totale) verkoop van softdrugs of alleen op de verkoop die plaatsvond in strijd met de gedoogvoorwaarden.
NJ2003/508 (Black Widow) nog eens aan:
alleenvoordeel dat is verkregen uit de baten van binnen het gedoogbeleid vallende handelingen niet geacht wordt wederrechtelijk verkregen te zijn. Zodra de grenzen van het gedoogbeleid worden overschreden, kan naar het mij voorkomt geen beroep meer worden gedaan op dat beleid en is
alhet uit die handel in softdrugs verkregen voordeel in beginsel wederrechtelijk verkregen, dus dan óók het deel dat zonder overtreding van de bedoelde gedoogvoorwaarde binnen de gedoogkaders zou vallen.
6.6. Fiscale gevolgen
REKENING HOUDEN MET BELASTINGAFDRACHT
NJ1998/499, en de daarin aangehaalde wetsgeschiedenis, [11] onderstreept de Hoge Raad in zijn arrest van 12 januari 2021, ECLI:NL:HR:2021:1,
NJ2021/89, m.nt. Reijntjes die hoofdregel nog eens:
7. De betalingsverplichting
7.4 Beslagkwesties
Naar het oordeel van het hof ligt het handelen van het Openbaar Ministerie ten aanzien van zaken en vermogensrechten waarop conservatoir beslag ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering rust niet ter beoordeling voor aan de rechter die de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel behandelt. Daarvoor staan andere procedures open. Evenmin valt, ook gelet op hetgeen is aangevoerd, niet in te zien dat beweerdelijk onrechtmatig handelen van de zijde van het Openbaar Ministerie in deze beslagkwesties ertoe leiden dat de betalingsverplichting wordt verminderd. Het hof zal dan ook niet op deze klachten ingaan.”
financieelrechtsherstel van de betrokkene. Dat brengt direct mee dat de vrijheid van de ontnemingsrechter tot matiging in dier voege beperkt is. Het is volgens het openbaar ministerie déze begrenzing van de matigingsbevoegdheid, die het hof niet in acht heeft genomen. Hoewel in cassatie niet wordt bestreden dat de matigingsbevoegdheid ook op andere gronden dan alleen de draagkracht van de betrokkene kan berusten, [19] wordt aangevoerd dat de bevoegdheid zodanig ruim is toegepast dat sprake is van een loslaten van een evenwichtig (compensatoir) verband tussen het
financieelnadeel van de betrokkene enerzijds en de hoogte van de matiging anderzijds. Aldus heeft het hof zich
de factoeen ongelimiteerde vrijheid veroorloofd om het ontnemingsbedrag te matigen, zulks terwijl dit nooit de bedoeling is geweest van de wetgever en dit voorts haaks staat op het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel: “Een dergelijke (nagenoeg onbegrensde) vrijheid heeft de rechter ten aanzien van de strafoplegging in een strafzaak, maar niet ten aanzien van de vaststelling van het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.” Gerefereerd wordt aan de totstandkomingsgeschiedenis van de Wet van 10 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten ter verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties (
Stb.1993, 11), voor zover daarin het volgende te lezen valt:
opleggenvan maatregelen in het algemeen kan worden gewezen op art. 9a Sr. Die bepaling biedt de rechter de ruimte in het vonnis te bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd indien hij dit raadzaam acht in verband met een aantal factoren, waaronder – en dit licht ik in verband met de voorliggende zaak uit – de omstandigheden waaronder het feit is begaan. [22] Ik heb mij wel eens afgevraagd of art. 9a Sr niet is geschreven voor de hoofdprocedure en ‘vonnis’ in deze bepaling niet moet worden verstaan als uitspraak in de hoofdzaak. In dat geval zou art. 9a Sr niet zijn geschreven voor de ontnemingsprocedure en, nadat de uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, voor de uit te spreken beslissing aangaande de oplegging van de ontnemingsmaatregel, waaronder ik hier mede de vaststelling van de betalingsverplichting versta. Bij gebreke van duidelijke contra-indicaties ga ik ervan uit dat art. 9a Sr ook op de ontnemingsmaatregel ziet. Dat de oplegging van de ontnemingsmaatregel niet in het hoofdvonnis tot uitdrukking komt en in een afzonderlijke ontnemingsprocedure in een uitspraak wordt vastgesteld, noopt naar mijn inzicht nog niet tot de conclusie dat de wetgever dus heeft bedoeld de ontnemingsmaatregel uit te sluiten van deze bepaling. [23] Ik wijs daarvoor ook op de memorie van toelichting bij de wet tot invoering van art. 9a Sr. In die memorie van toelichting wordt opgemerkt dat “het woord maatregel voor het volwassenenstrafrecht zonder betekenis [is], omdat voor geen enkele strafrechtelijke maatregel geldt, dat zij in bepaalde gevallen
moetworden opgelegd.” [24] En even daarna volgt deze passage: “Daar komt bij dat de woorden «of maatregel» voor het volwassenenstrafrecht weliswaar niet noodzakelijk zijn, maar wel bijdragen tot duidelijkheid.” [25] Naar het mij voorkomt is art. 9a Sr – waarin dus de factoren worden genoemd die kunnen worden betrokken bij de afweging of wel of niet van oplegging van een maatregel wordt afgezien – ook van betekenis voor de ontnemingsmaatregel en heeft dit artikel ook in die zin een meerwaarde in ons sanctiestelsel.
kan(cursivering van mij, A-G) bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel”. En art. 511e sub a Sv zegt in zoveel woorden: de rechtbank beraadslaagt “naar aanleiding van de vordering en van het onderzoek ter terechtzitting over de vraag of de in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten”. Niet blijkt uit de wetsgeschiedenis welke gevallen zich ertoe lenen om ondanks de vordering van het openbaar ministerie (toch) geen ontnemingsmaatregel op te leggen. [26] Kennelijk hangt dit af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval en heeft de wetgever het oordeel daarover aan de rechter willen overlaten.
opleggenvan de sanctie nog niet (direct) iets over de
toemetingsvrijheid met betrekking tot de sanctie die wordt opgelegd. [27] Wel zou uit art. 9a Sr indirect kunnen worden afgeleid dat de in die bepaling genoemde – algemene – factoren ook in de sanctietoemeting kunnen worden betrokken. [28] In welke mate deze omstandigheden van belang zijn bij het bepalen van de duur of omvang van een maatregel is natuurlijk afhankelijk van de aard van de maatregel en, zoals hiervoor opgemerkt, van de concrete situatie. De meest sturende factor lijkt mij evenwel het beoogde doel van de betreffende maatregel te zijn. [29] In het algemeen is de grondslag van de strafrechtelijke maatregelen hoofdzakelijk gelegen in beveiliging of in herstel van de rechtmatige toestand. Met dit gegeven voor ogen is zeker wat betreft een herstelmaatregel als de ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (als bedoeld in art. 36e Sr) het kader bij de vaststelling van de omvang van de maatregel in beginsel bepaald. Dat vertrekpunt is gelegen in het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.
NJ2014/363 komt Borgers wat betreft het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel nog tot de volgende analyse:
eo ipsodat het onverkort opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval ook steeds een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijke reactie oplevert. Zoals altijd, komt het in het recht aan op het afwegen van onderling tegenstrijdige belangen en het bereiken van het juiste evenwicht tussen die belangen. Natuurlijk kan men over de vraag wanneer het juiste evenwicht wordt bereikt, van mening verschillen. Maar dat is iets anders dan het negeren of juist verabsoluteren van bepaalde belangen. Met het rechtsherstel dat met de ontnemingsmaatregel wordt nagestreefd, is het niet anders. Er zijn sterke argumenten waarom dat rechtsherstel moet worden bewerkstelligd en waarom dus een ontnemingsmaatregel wordt opgelegd ter hoogte van het daadwerkelijk verkregen voordeel. Maar dat neemt niet weg dat zich soms goede redenen voordoen op grond waarvan dat rechtsherstel geheel of gedeeltelijk moet wijken. Het recht – in de brede zin van de rechtsbeginselen, de wet, de wetsgeschiedenis, de rechtspraak en de dogmatiek – biedt geen steun voor de opvatting dat in relatie tot de ontnemingsmaatregel het zou gaan om een niets en niemand ontziend streven naar rechtsherstel. Integendeel, de bevoegdheid van de rechter om de betalingsverplichting te matigen moet juist worden gezien als middel om het beoogde rechtsherstel af te stemmen op de (andere) in het geding zijnde belangen (vgl. ook
De ontnemingsmaatregel, Den Haag: BJu 2001, p. 103-106, 431-433).”
in abstractopassend is in het geval waarin door het begaan van een strafbaar feit financieel voordeel is behaald om dat rechtsherstel zo dicht mogelijk te naderen, [34] maar dat dit onverlet laat dat de rechter telkens kritisch moet onderzoeken of het opleggen van een ontnemingsmaatregel in het concrete geval niet alleen een doelmatige, maar ook een rechtvaardige en zinvolle strafrechtelijke reactie is en voorts of de omvang van de betalingsverplichting recht doet aan de toegepaste ‘toemetingsfactoren’. [35] In het verband van dat laatste laat zich de eventuele matiging van het vastgestelde bedrag zich plaatsen. Daarover nu meer.
5.4. De bevoegdheid van de rechter tot matiging van het te betalen bedrag
JOW1999/6) geoordeeld dat de gegevens omtrent de huidige en redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de veroordeelde van belang kunnen zijn voor de vaststelling door de rechter van het door de veroordeelde te betalen bedrag. De rechter dient in het geval dat aannemelijk is dat de veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben, gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge art. 36e, vierde lid, laatste volzin. De reden daarvoor is door de Hoge Raad genoemd in zijn beslissing van 7 mei 1996 (
NJ1997/404). In die beslissing memoreert de Hoge Raad eerst de matigingsmogelijkheden.
NJ2014/363, m.nt. Borgers. De opvatting dat de matigingsbevoegdheid van de rechter "enkel in relatie tot beperkte draagkracht kan worden toegepast" vindt geen steun in de tekst en de wetsgeschiedenis van art. 36e, vijfde lid, Sr, aldus de Hoge Raad. Grenzen tot waar de matigingsbevoegdheid reikt of voorbeelden van andere ‘matigingsfactoren’ worden in het arrest niet genoemd, en over de vraag of ook niet-financiële factoren daartoe kunnen bijdragen, valt aan de hand van dit arrest niet iets zinnigs te zeggen. Dat neemt niet weg dat in ieder geval één naar zijn aard niet-financiële factor tot matiging (of in dit verband wellicht zuiverder vermindering) van de betalingsverplichting kan, en onder omstandigheden zelfs moet, leiden en dat is een (relevante) overschrijding van de redelijke termijn. Matiging op die grond staat niet in de weg aan het karakter van de ontnemingsmaatregel. De argumenten daarvoor zijn gelegen in de gangbare praktijk die tot uitdrukking wordt gebracht in de rechtspraak van de Hoge Raad en de omstandigheid dat de ontnemingsmaatregel naar Europees recht wordt aangemerkt als een ‘penalty’. In dat opzicht volgde de Hoge Raad in het arrest van 11 februari 2014, ECLI:NL:HR:2014:296,
NJ2014/135 de conclusie van voormalig A-G Bleichrodt, meer in het bijzonder voor zover het de volgende passage betreft:
feitenrechter– dat wil zeggen wanneer de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld wordt overgeschreden (de Hoge Raad oordeelt dan in volle omvang over de overschrijding) – in ontnemingszaken zelf als vuistregel dat de vermindering in beginsel niet meer dan € 5000,- bedraagt. Ik verwijs daarvoor naar HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
NJ2008/358, m.nt. Mevis, in welk arrest de Hoge Raad de eerdere regels inzake overschrijding van de redelijke termijn heeft herijkt. Overigens, als ook in de met de ontnemingszaak samenhangende strafzaak de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, zal de compensatie tot welke de overschrijding van de redelijke termijn moet leiden worden toegepast in de hoofdzaak en is er geen aanleiding om in de ontnemingszaak aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden; de Hoge Raad zal dan met dat oordeel volstaan. [39] Hier belangrijker is dat de Hoge Raad in het voormelde arrest van 17 juni 2008 ook zegt, weliswaar nog onder het hoofd “Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter”, dat “vermindering van de straf onderscheidenlijk het ontnemingsbedrag afhankelijk [is] van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.” Niet valt in te zien waarom dit voor de feitenrechtspraak anders zou (moeten) zijn. De feitenrechter volgt trouwens in de praktijk vaak de uitgangspunten die de Hoge Raad zelf als feitenrechter toepast. Daarbij moet ook niet uit het oog worden verloren dat, indien het cassatiemiddel daartoe aanleiding geeft, de Hoge Raad als
cassatierechterkan onderzoeken of het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. [40] In dit verband overweegt de Hoge Raad (in het arrest van 17 juni 2008) dat van onbegrijpelijkheid niet licht sprake zal zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. In dat opzicht lijkt de Hoge Raad de feitenrechter in beginsel vrij te laten in de toepassing van de ‘kortingspercentages’, maar dat neemt dus niet weg dat wel een begrijpelijkheidstoets in cassatie gereed ligt. De toets in cassatie kan er toe leiden dat de bestreden uitspraak wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vernietigd en de Hoge Raad (om doelmatigheidsredenen) het te betalen ontnemingsbedrag zelf vermindert. Een voorbeeld daarvan is te vinden in HR 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:3032. De opvatting van het hof in die zaak dat als "maatstaf voor de vergoeding van immateriële schade" ten gevolge van overschrijding van de redelijke termijn heeft te gelden dat bij ontnemingszaken de betalingsverplichting wordt verminderd met een standaard bedrag van "€ 500,00 per halfjaar voor overschrijding van de termijn als geheel", kan niet als juist worden aanvaard. [41]
opleggingvan de TBS-maatregel ging, maar er lijkt mij geen bezwaar tegen om in voorkomende gevallen het verbazingscriterium bij een strafrechtelijke maatregel een bredere werking te geven, zoals dat ook bij de strafoplegging het geval is: niet alleen de aard van de opgelegde straf, maar juist en vooral ook de duur van de opgelegde straf kan verbazing wekken. Toegespitst op de ontnemingsmaatregel bedoel ik daarmee te zeggen dat de oplegging ervan op zich niet tot verbazing hoeft te wekken (in de regel zal dat niet het geval zijn), maar mogelijk wel de omvang van de uiteindelijke betalingsverplichting ten opzichte van het wederrechtelijk verkregen voordeel dat is vastgesteld, anders gezegd de omvang van de matiging die door de rechter is bepaald. Is de matiging ingegeven door factoren van evident financiële aard, dan zal de rechter elke grond voor verbazing kunnen wegnemen door met behulp van een heldere uiteenzetting, bijvoorbeeld een berekening, inzichtelijk te maken hoe de (omvang van de) matiging tot stand is gekomen. In geval van factoren die niet eenvoudig op geld zijn te waarderen (de niet-financiële factoren) zal het inzichtelijk maken mogelijk lastig zijn. Maar dat mag, ook gelet op het normatief-reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel, de rechter er niet van weerhouden zijn beslissing ook ten aanzien van de omvang van de matiging begrijpelijk te motiveren.
omvangvan de matiging in deze zaak betreft, ligt dat volgens mij anders. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het percentage waarmee is gematigd van een nadere motivering is voorzien. De matiging met maar liefst 50% van een fors miljoenenbedrag (€ 15.613.500,-) roept naar het mij toeschijnt verbazing op. Ik meen daarom dat hier een extra motivering, die ontbreekt, vereist was. [46] Mogelijk heeft het hof de gulden middenweg willen kiezen en is het tussen de twee uitersten gaan zitten: nihil stelling (verzocht door de verdediging) aan de ene kant en het volle pond (gevorderd door het openbaar ministerie) aan de andere kant, maar dit is niet meer dan speculeren. Denkbaar is ook dat het hof met zijn overweging over de discutabele rol van de overheid (waaronder mede het openbaar ministerie begrepen) – die volgens het hof immers is gelegen in haar faciliterende rol en in haar handelen dat “ertoe heeft geleid dat de exploitatie van de coffeeshop zich kon ontwikkelen tot een dermate grote omvang dat de hierboven vastgestelde grote winsten konden worden gegenereerd – niet alleen de grondslag voor zijn beslissing tot matiging heeft willen leggen, maar daarnaast ook voor de omvang van de matiging. Ook dan had het echter, bij de enorme bedragen waar het in deze zaak om gaat, voor de hand gelegen dat het hof (eventueel schattenderwijs, maar ook dan zoveel mogelijk gefundeerd en gedocumenteerd) inzichtelijk had gemaakt wat de hoogte van het voordeel voor de betrokkene zou zijn geweest wanneer die faciliterende rol van de overheid niet in het geding was geweest. Zelfs dan was, denk ik, een navenante matiging nog wel in overeenstemming te brengen met het normatief-reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel.