Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
18 april 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het versturen van een groot aantal e-mails met de mededeling dat de aangever veroordeeld was wegens mishandeling van de partner van verdachte, kwalificeerde als smaadschrift in de zin van artikel 261 Sr Pro. Daarnaast werd de juridische betekenis van het begrip 'aanranding van de eer of goede naam' en het begrip 'ruchtbaarheid geven aan' besproken.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, dat hem veroordeelde. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat het middel geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling opriep.
Het arrest werd gewezen door de vice-president van Schendel als voorzitter en de raadsheren Splinter-van Kan en Buruma. Het beroep werd verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand bleef.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling voor smaadschrift.