Conclusie
middelbehelst – welwillend gelezen – de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, bewezen heeft verklaard dat de verdachte opzettelijk de eer en goede naam van [betrokkene] heeft aangerand door de tenlastelegging van een bepaald feit, met het kennelijk doel om daaraan ruchtbaarheid te geven. Voorts bevat het middel de klacht dat het hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het derde lid van art. 261 Sr Pro.
noodelooseen ander kwetst. Waar zij noodzakelijk is, primeert een hooger belang de bescherming die de wet anders den beleedigde verleent”. [14]