Belanghebbende, een ondernemer, stelde in 2011 een bedrijfsauto ter beschikking aan haar directeur, die deze zowel zakelijk als privé gebruikte zonder kilometeradministratie. Voor het eerste halfjaar van 2011 paste belanghebbende een forfaitaire regeling toe op basis van een besluit van 9 februari 2009, en voor het tweede halfjaar een andere forfaitaire regeling uit een besluit van 20 december 2011.
De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen de door belanghebbende betaalde omzetbelasting ongegrond. Het Hof Arnhem-Leeuwarden verwierp het standpunt van belanghebbende dat zij over het eerste halfjaar geen belasting hoefde te voldoen vanwege intrekking van het besluit halverwege 2011. Ook oordeelde het Hof dat belanghebbende onvoldoende concrete gegevens had verstrekt om het privégebruik in het tweede halfjaar nauwkeurig vast te stellen.
De Hoge Raad oordeelde dat de heffing over het eerste halfjaar terecht was, ondanks intrekking van het besluit, omdat de belastingplicht voortvloeit uit de eerder genoten aftrek. Ten aanzien van het tweede halfjaar stelde de Hoge Raad dat het Hof onjuiste rechtsopvattingen hanteerde door te eisen dat alleen een kilometeradministratie als bewijs volstaat. De omvang van het privégebruik moet op basis van alle omstandigheden redelijk worden geschat, waarbij statistische gegevens als richtsnoer kunnen dienen. Omdat het Hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de door belanghebbende verstrekte gegevens onvoldoende waren, vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak voor nader onderzoek naar het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.