Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 april 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal van geldbedragen door het onbevoegd gebruik van bankpassen, verkregen via een babbeltruc. De verdediging voerde aan dat een foto van verdachte, genomen door de politie op de openbare weg zonder dat er sprake was van een verdenking, onrechtmatig was verkregen en niet als bewijs mocht dienen.
Het hof had geoordeeld dat de politie op grond van artikel 3 van Pro de Politiewet 2012 bevoegd was om de foto te maken, mede gelet op de geringe inbreuk op de privacy van verdachte en het feit dat de politie ook zonder concrete verdenking bevoegd is tot bepaalde handelingen in het kader van haar taak. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep.
De feiten betroffen pintransacties met bankpassen van slachtoffers, waarbij verdachte werd herkend op camerabeelden en op de foto's die de politie maakte. De verdediging betoogde dat de foto's onrechtmatig waren omdat ze zonder wettelijke basis en zonder verdenking waren genomen, maar dit werd door het hof en de Hoge Raad verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat het maken van foto's door opsporingsambtenaren in het kader van hun taak onder de Politiewet valt, ook als nog geen verdenking bestaat zoals bedoeld in artikel 27 Sv Pro. Het beroep werd daarom verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de politie-foto als bewijs mocht dienen.