Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof het verweer, inhoudende dat de politie zonder wettelijke grondslag foto’s van de verdachte heeft gemaakt en dat die foto’s daarom niet tot het bewijs mogen dienen, ten onrechte heeft verworpen, althans op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.
(bedoeld is kennelijk: 12 december 2014, AG)is verdachte om ongeveer 14.00 uur staande gehouden op de Escamplaan in Den Haag. Bij die gelegenheid zijn twee foto’s van verdachte gemaakt. Met de bankpas van [betrokkene 1] is op 12 januari 2015
(bedoeld is kennelijk: 12 december 2014, AG)om 15.37 uur gepind bij een geldautomaat van ABN/AMRO aan de Volendamlaan in Den Haag. Daarvan zijn camerabeelden. Verbalisant [verbalisant 1] heeft op ambtsbelofte verklaard dat zij de man op de camerabeelden van de pintransactie bij vergelijking met de op dezelfde dag gemaakte foto’s van verdachte, aan de hand van zijn kleding en uiterlijk herkent als verdachte. In het desbetreffende proces-verbaal wordt met name de kleding van verdachte gedetailleerd beschreven.
“Wanneer het maken van foto ’s van personen op de openbare weg geschiedt door een opsporingsambtenaar in het kader van de opsporing van strafbare feiten, verricht hij opsporingshandelingen. De in de opsporing toe te passen bevoegdheden staan in de wet en daar zijn opsporingsambtenaren aan gebonden, 1 Sv. Het maken van foto ’s maakt een meer dan geringe inbreuk op de grondrechten van deze personen. Schending van grondrechten die een meer dan geringe inbreuk op de rechten van personen vormen, vereisen een wettelijke basis.”Die foto’s, die door mij als onrechtmatig worden aangemerkt, komen vervolgens door het hele dossier terug. Bijvoorbeeld op pagina 72 en pagina 320. Ik ben van mening dat die foto’s niet gebruikt mogen worden. Kennelijk was er een verdenking, maar dan had de politie hem kunnen meenemen en dan hadden ze alles kunnen doen, inclusief vingerafdrukken. Maar kennelijk kwam het signalement toch niet overeen.”