Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
7 februari 2017.
Hoge Raad
De verdachte was in eerste aanleg bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht weken en stelde hoger beroep in. Hij gaf aan dakloos te zijn en geen inschrijfadres te hebben, maar wel via het e-mailadres en telefoonnummer van zijn vriendin bereikbaar te zijn. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep was verdachte niet aanwezig, waarop het hof verstek verleende en hem veroordeelde tot zes weken gevangenisstraf.
De Hoge Raad oordeelt dat het recht van de verdachte om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht een fundamenteel recht is dat zorgvuldig moet worden gewaarborgd. In dit geval had het hof moeten trachten de verdachte via de door hem opgegeven e-mail of telefoon op de hoogte te stellen van de zitting, zeker gezien zijn situatie zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Omdat het hof dit naliet, is het onderzoek in hoger beroep en het daarop gebaseerde arrest nietig. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk, waarmee het arrest van het hof blijft staan, maar benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht en de zorgvuldigheid die vereist is bij het oproepen van een verdachte zonder vaste verblijfplaats.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege schending van het aanwezigheidsrecht van de verdachte.