ECLI:NL:HR:2017:908

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2017
Publicatiedatum
18 mei 2017
Zaaknummer
15/04806
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 lid 7 Wet BPMArt. 8:41 lid 6 AwbArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt toepassing inkoopwaarde als marge-auto bij afschrijving gebruikte personenauto uit andere lidstaat

In deze zaak stond de vraag centraal of bij de bepaling van de afschrijving van een gebruikte personenauto afkomstig uit een andere lidstaat gekozen kan worden voor de inkoopwaarde als marge-auto in bezwaar en beroep. Belanghebbende had tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch beroep in cassatie ingesteld, evenals de Staatssecretaris van Financiën.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep van belanghebbende niet-ontvankelijk vanwege het niet tijdig voldoen van het griffierecht. Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de last bij belanghebbende rust om aannemelijk te maken dat de voertuigen waarop de koerslijst van marge-auto’s is gebaseerd, beter vergelijkbaar zijn met de onderhavige auto dan die van de btw-auto’s. Dit oordeel vertoonde geen onjuiste rechtsopvatting.

Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende werd eveneens ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten van het cassatiegeding, terwijl belanghebbende niet in de proceskosten werd veroordeeld. Het arrest bevestigt de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te kiezen voor de inkoopwaarde als marge-auto bij de afschrijving van gebruikte personenauto’s uit andere lidstaten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende is niet-ontvankelijk verklaard en het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

19 mei 2017
Nr. 15/04806
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] VOFte
[Z](hierna: belanghebbende), alsmede het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's‑Hertogenboschvan 11 september 2015, nr. 14/00928, op het hoger beroep van de Inspecteur alsmede het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. AWB 12/2979) betreffende een door belanghebbende op aangifte voldaan bedrag aan belasting van personenauto's en motorrijwielen.

1.Geding in cassatie

Zowel belanghebbende als de Staatssecretaris heeft tegen ‘s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend. Zij heeft tevens incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze omtrent het incidentele beroep naar voren gebracht.
Belanghebbende heeft in het incidentele beroep een conclusie van repliek ingediend.
2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het door belanghebbende ingestelde principale beroep in cassatie
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 26 november 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbendes gemachtigde opgegeven adres, gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling een termijn van vier weken gesteld. Het griffierecht is niet voldaan.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 31 december 2015, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door belanghebbendes gemachtigde opgegeven adres, in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet tijdig is betaald. Belanghebbende heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
Het beroep in cassatie moet op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard.
3 Beoordeling van de in het principale beroep van de Staatssecretaris voorgestelde middelen
3.1.
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, heeft de Staatssecretaris te kennen gegeven middel I niet langer te handhaven. Dat middel behoeft daarom geen behandeling.
3.2.
Middel II voert aan dat het Hof heeft nagelaten te behandelen de stelling van de Inspecteur dat vanwege het bepaalde in artikel 10, lid 7, van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen op belanghebbende de last rust aannemelijk te maken dat de voertuigen die de basis vormen voor de koerslijst van zogenoemde marge-auto’s wat kenmerken betreft beter vergelijkbaar zijn met de personenauto waarop de onderhavige procedure betrekking heeft dan de voertuigen die de basis vormen voor de koerslijst voor zogenoemde btw-auto's.
Het middel berust op een onjuiste lezing van ’s Hofs uitspraak, aangezien het Hof deze stelling heeft behandeld in de onderdelen 4.7 en 4.8 van zijn uitspraak. De aldaar gegeven oordelen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422, BNB 2016/143, rechtsoverweging 2.4.3, en HR 18 maart 2016, nr. 14/04112, ECLI:NL:HR:2016:421, BNB 2016/144, rechtsoverweging 2.4.3). Middel II faalt derhalve.

4.Beoordeling van de in het incidentele beroep voorgestelde middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5.Proceskosten

Wat betreft het principale cassatieberoep van de Staatssecretaris zal de Staatssecretaris worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met de nummers 15/04690, 15/04707, 15/04713, 15/04801 tot en met 15/04806, 15/04814 en 15/04815 samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Wat betreft het principale en het incidentele cassatieberoep van belanghebbende acht de Hoge Raad geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het principale beroep in cassatie van belanghebbende niet-ontvankelijk,
verklaart het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond,
verklaart het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op een elfde van € 1485, derhalve € 135, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.E. van Hilten, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2017.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 497.