Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde vierde middel
5.Slotsom
6.Beslissing
23 mei 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van gewoontewitwassen, waarbij hij geldbedragen verwierf, voorhanden had, overdroeg en omzet terwijl hij wist dat deze afkomstig waren uit misdrijven. Het hof had het bewezenverklaarde gekwalificeerd als medeplegen van gewoontewitwassen en de verdachte veroordeeld.
De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het hof ten onrechte kwalificatie gaf aan het verwerven en voorhanden hebben van geldbedragen als witwassen, verwijzend naar eerdere rechtspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht ook overdracht en omzetting had betrokken en dat het ontbreken van zelfstandige betekenis aan verwerven en voorhanden hebben niet tot cassatie leidt.
Verder klaagde de advocaat-generaal dat het hof ten onrechte de verbeurdverklaring van een conservatoir in beslag genomen geldbedrag van €6.109,69 had afgewezen. De Hoge Raad bevestigde dat een conservatoir beslag ex art. 94a Sv niet verhindert dat het voorwerp wordt verbeurdverklaard en dat het hof dit oordeel onjuist had genomen.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het de verbeurdverklaring en strafoplegging betreft en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting. De overige beroepen werden verworpen.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt gedeeltelijk vernietigd en terugverwezen voor hernieuwde berechting van de verbeurdverklaring en strafoplegging.