Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], België,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
2 juni 2017.
Hoge Raad
De vrouw en de man zijn in 2000 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2010 gescheiden. De zaak betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarbij de vrouw een verzoek deed tot toescheiding van de eenmanszaak van de man of, subsidiair, tot verdeling bij helfte.
De rechtbank en het hof hadden de huwelijksgoederengemeenschap verdeeld met als peildatum de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, 9 november 2010. Het hof wees het verzoek van de vrouw af zonder enige motivering.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn afwijzing niet heeft gemotiveerd, terwijl de vrouw aannemelijk had gemaakt dat de man de eenmanszaak kort voor de peildatum had gekocht voor een bedrag van € 225.000. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing.
De overige klachten van de vrouw leiden niet tot cassatie omdat deze geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.