Conclusie
1.Korte aanduiding van partijen en van het cassatieberoep
In hoger beroep heeft [verweerster] in haar memorie van antwoord in incidenteel appel haar eis (opnieuw) gewijzigd en daarbij tevens nieuwe producties ingediend. Daartegen hebben [eisers] bij akte bezwaar gemaakt. In deze akte hebben [eisers] het hof verzocht een mondelinge behandeling te gelasten. In het vervolgens gewezen eindarrest heeft het hof niet (kenbaar) op dit verzoek beslist. [eisers] komen in cassatie, onder meer, hiertegen op.
2.Feiten en procesverloopFeiten
[eisers] zijn particulieren. Zij hebben [verweerster] ingeschakeld om een woning in [plaats] te bouwen aan [a-straat 1] (hierna: de woning).
- het meerwerk van € 10.102,73;
- bouwtijdverlengingskosten ten bedrage van € 41.396,88;
- bouwplaatskosten van € 6.000,--;
- een bedrag van € 1.370,83 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- proces- en nakosten,
dit alles te vermeerderen met contractuele en wettelijke rente. [9]
- het opnieuw uitvoeren van het voegwerk en het uitvoeren van de werkzaamheden aangaande de spouw respectievelijk daarin aanwezige isolatie overeenkomstig het bepaalde in de aannemingsovereenkomst;
- het overhandigen van garantiebescheiden en het verstrekken van revisietekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- het (laten) uitvoeren van een debietmeting, van een meting installatiegeluid ter zake van de WTW-unit en het maken van thermografische foto’s;
- betaling van te veel betaald meerwerk (€ 6.356,13) en een vertragingsboete (€ 46.827,--).
Daarnaast hebben [eisers] een verklaring voor recht gevorderd dat zij een eventueel in conventie verschuldigd bedrag mogen verrekenen met het in reconventie toegewezen bedrag. [10]
Vervolgens heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 11 september 2019 in conventie iedere verdere beslissing en in reconventie de zaak naar de rol verwezen voor akte en antwoordakte over hetgeen is vermeld in rov. 4.18.
In reconventie heeft de rechtbank, voor zover in cassatie van belang en zakelijk weergegeven (rov. 2.8 en het dictum) [verweerster] veroordeeld tot:
- betaling aan [eisers] van een bedrag van € 3.000,-- aan schadevergoeding wegens ondeugdelijk voegwerk;
- nakoming van een aantal verplichtingen uit de overeenkomst (herstel buitenkozijn en het verrichten van diverse metingen), op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- het verstrekken van garantiebescheiden en de in de TO genoemde revisietekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
- [verweerster] veroordeeld om aan [eisers] een bedrag van € 33.293,06 aan vertragingsboete te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- het meer of anders gevorderde afgewezen.
€ 48.802,01 aan bouwtijdkosten en gerechtelijke incassokosten van € 1.370,83. Daarnaast heeft zij een verklaring voor recht gevorderd dat [verweerster] omtrent het verstrekken van de (revisie)tekeningen aan [eiser 1] volledig aan al haar verplichtingen, conform de TO, heeft voldaan. [11]
- [verweerster] niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep van het tussenvonnis van de rechtbank van 7 november 2018;
- de vonnissen waarvan beroep vernietigd, met uitzondering van de proceskostenbeslissing in het eindvonnis in conventie, en in zoverre opnieuw rechtsdoende:
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld om ter zake van meerwerk aan [verweerster] een bedrag van € 7.142,87 incl. BTW te betalen;
- voor recht verklaard dat [verweerster] ter zake van het verstrekken van garantieverklaringen, revisietekeningen en overige bescheiden volledig aan haar verplichtingen heeft voldaan;
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld om aan [verweerster] terug te betalen hetgeen méér door [verweerster] aan dwangsommen plus kosten is betaald dan een bedrag van € 600,--, te vermeerderen met de wettelijke rente;
- [eisers] hoofdelijk veroordeeld om aan [verweerster] ter zake van buitengerechtelijke incassokosten een bedrag te betalen van € 625,--;
- hetgeen meer of anders door partijen is gevorderd, afgewezen, en
- de voormelde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
[eisers] hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1adat het hof art. 87 lid 8 Rv Pro in samenhang met art. 134 Rv Pro (beide in verbinding met art. 353 Rv Pro), alsmede art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro onjuist heeft toegepast door geen beslissing te nemen op het verzoek van [eisers] tot het gelasten van een mondelinge behandeling.
Subonderdeel 1bvoegt daaraan toe dat voor zover het hof (wel) op dit verzoek heeft beslist door in het dictum van zijn eindarrest het meer of anders gevorderde af te wijzen, het hof de art. 87 lid 8 Rv Pro, 134 Rv, 19 Rv en 6 EVRM heeft geschonden door geen mondelinge behandeling toe te staan, althans zijn beslissing niet voldoende (inzichtelijk) heeft gemotiveerd.
de Memorie” bij akte van maximaal 1,5 pagina op de Memorie te reageren, ziet [eiser 1] zich genoodzaakt om zich in deze akte te beperken tot het maken van bezwaar tegen de wijziging en vermeerdering van eis en verzoekt [eiser 1] het gerechtshof uitdrukkelijk om
een nadere mondelinge behandelingte plannen waarbij [eiser 1] in de gelegenheid wordt gesteld om inhoudelijk op de Memorie te reageren
dan welom middels
een schriftelijke toelichting(voorheen schriftelijk pleidooi) inhoudelijk op de Memorie te reageren, te meer nu de Memorie vol staat met onwaarheden en bij de Memorie maar liefst 32 producties zijn overgelegd, welke niet reeds bij Memorie van Grieven zijn overgelegd. In het geval dat de wijziging en vermeerdering van eis ondanks de inhoud van deze akte wordt toegestaan, verzoekt [eiser 1] daarnaast om hem toe te staan zich bij
nadere akteinhoudelijk uit te laten over de wijziging en vermeerdering van eis nu [eiser 1] onmogelijk bij akte van maximaal 1,5 pagina tekst inhoudelijk kan reageren op een vermeerdering en wijziging van eis van circa negen pagina’s met veertien producties.
Waarvan akte!”
Artikel 134, dat betrekking heeft op het pleidooi, vervalt. In de wetgeving uit 2016 is het pleidooi als afzonderlijke proceshandeling komen te vervallen, omdat de rechter partijen altijd in de gelegenheid moet stellen om hun standpunt over de zaak mondeling toe te lichten (vgl. artikel 30k, eerste lid, aanhef en onderdeel b, in dit wetsvoorstel overgenomen in artikel 87). Het vierde lid van artikel 134 (artikel 30k, vierde lid over de aanwezigheid van partijen bij het pleidooi) komt in dit wetsvoorstel terug in artikel 87, vijfde lid, derde volzin. Naar aanleiding van een opmerking van de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht is het van belang te constateren dat het schrappen van het pleidooi in combinatie met het handhaven van de mogelijkheid voor de rechter om een mondelinge behandeling te bevelen (artikel 87, eerste lid), niet betekent dat er procedures kunnen zijn waarin de rechter geen mondelinge behandeling beveelt en er ook geen pleidooi plaatsvindt (bijvoorbeeld na re- en dupliek is dat niet altijd zo, zie artikel 132 Rv Pro). Gelet op het uit artikel 6 EVRM Pro voortvloeiende recht op een mondelinge behandeling («fair and public hearing») en de strenge jurisprudentie daaromtrent van de Hoge Raad kan de rechter een verzoek om een mondelinge behandeling te houden niet zonder meer naast zich neerleggen. Daarom is mede op advies van de Raad voor de rechtspraak een vangnetbepaling opgenomen in artikel 87, achtste lid, om te waarborgen dat als er geen mondelinge behandeling gehouden wordt, partijen toch aanspraak kunnen maken op een gelegenheid om hun standpunt mondeling uiteen te zetten. Heeft er echter al enige zitting plaatsgevonden, bijvoorbeeld een comparitie van partijen, dan is er niet altijd recht op nog een mondelinge behandeling.”
Onderdeel 1 slaagt dus.
Subonderdeel 2aklaagt dat het hof het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden, althans een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft genomen door in rov. 19.16.8, 9.16.10, 9.26.2 en 9.27.4 stellingen en producties die voor het eerst zijn ingenomen respectievelijk overgelegd in de memorie van antwoord in incidenteel appel in zijn beoordeling te betrekken en in het nadeel van [eisers] uit te leggen terwijl zij geen, althans onvoldoende gelegenheid hebben gehad zich daarover uit te laten.
Volgens
subonderdeel 2bheeft het hof het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door [eisers] (slechts) anderhalve pagina ruimte te geven om bij akte te reageren op de stellingen en producties die voor het eerst zijn ingenomen respectievelijk overgelegd in de memorie van antwoord in incidenteel appel van [verweerster] .
Subonderdeel 2cklaagt dat de genoemde overwegingen van het hof tevens onbegrijpelijk zijn.
Terzijde merk ik met betrekking tot onderdeel 2 in de eerste plaats op dat de rechter zijn oordeel niet ten nadele van een procespartij mag baseren op stellingen en producties waarover die partij zich niet voldoende heeft kunnen uitlaten (art. 19 lid 1 Rv Pro). [22] Dit is ook vaste rechtspraak. [23] Bepalend is dus of een partij zich
voldoendeheeft kunnen uitlaten. Een dergelijke beoordeling dient mede te geschieden in het licht van de omstandigheden van het geval.
Verder wijs ik op de prejudiciële beslissing van 3 juni 2022 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de rechter (in iedere individuele zaak), door toepassing van de eisen van een goede procesorde, door het nemen van alle beslissingen die nodig zijn voor een goed verloop van de procedure (art. 19 lid 2 Rv Pro) en uit hoofde van zijn taak te waken tegen onredelijke vertraging van de procedure (art. 20 lid 1 Rv Pro), beperkingen kan stellen aan de omvang van processtukken, maar wel met inachtneming van art. 19 lid 1 Rv Pro. [24]
subonderdeel 3bde motiveringsklacht dat genoemde overwegingen zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn en dat het hof had moeten toelichten waarom desondanks van [eisers] kon worden verwacht hun stellingen aannemelijk te maken, aldus nog steeds [eisers]
De bestreden rechtsoverwegingen maken onderdeel uit van de beoordeling door het hof van grief 5 in het principale hoger beroep (zie het kopje boven rov. 9.21). De achtergrond van deze grief is de volgende.
Het subonderdeel faalt dus.