ECLI:NL:HR:2017:991

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juni 2017
Publicatiedatum
1 juni 2017
Zaaknummer
16/03248
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • E.N. Punt
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake omzetbelasting december 2008

In deze zaak heeft de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag betreffende de aangifte en betaling van omzetbelasting over het tijdvak december 2008 door belanghebbende [X] B.V. Het geding betreft een vervolg op eerdere procedures, waarbij de Hoge Raad eerder een arrest heeft gewezen dat het geding naar het Hof Den Haag verwees voor verdere behandeling.

De Hoge Raad heeft de ingediende middelen van de Staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot cassatie kunnen leiden. Dit oordeel is genomen op grond van artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie derhalve ongegrond verklaard en de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens is een griffierecht van € 503 geheven van de Staatssecretaris.

Het arrest is op 2 juni 2017 in het openbaar uitgesproken door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw, en de raadsheren E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in aanwezigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard en de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag blijft in stand.

Uitspraak

2 juni 2017
Nr. 16/03248
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 13 mei 2016, nr. BK-14/01604, betreffende een door
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) over het tijdvak december 2008 op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam is op het beroep van de Staatssecretaris bij arrest van de Hoge Raad van 21 november 2014, nr. 13/00057, ECLI:NL:HR:2014:3325, BNB 2015/30, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

1.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij twee middelen voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 juni 2017.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 503.