Uitspraak
Uitspraak van 13 mei 2016
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
Bezwaar en beroep
Hoger beroep en beroep in cassatie
Feiten
Artikel 1 - definities
Gerechtshof Den Haag
Belanghebbende biedt telecommunicatiediensten aan via een prepaid systeem waarbij gebruikers beltegoed verkrijgen door opwaardeerkaarten te kopen bij winkeliers. De kern van het geschil is de omzetbelastingtechnische maatstaf van heffing: moet deze worden bepaald op de nominale waarde van de opwaardeerkaart die de gebruiker betaalt, of op het bedrag dat belanghebbende daadwerkelijk van de winkelier ontvangt?
De rechtbank stelde dat de maatstaf van heffing gelijk is aan het bedrag dat belanghebbende daadwerkelijk ontvangt van de winkelier, omdat de winkelier op eigen naam en risico de opwaardeerkaarten verkoopt aan de gebruiker. De Inspecteur stelde dat de nominale waarde als maatstaf geldt, omdat de winkelier ook een tegenprestatie in natura levert aan belanghebbende, namelijk de distributie van de kaarten.
Het Hof volgt de rechtbank en overweegt dat de winkelier geen dienst verricht jegens belanghebbende en handelt voor eigen rekening en risico. Er is geen rechtstreeks verband tussen het bedrag dat de gebruiker betaalt en de telecommunicatiediensten die belanghebbende levert. Daarom is de maatstaf van heffing het bedrag dat belanghebbende van de winkelier ontvangt. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Het Hof veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten en bepaalt dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van € 100.000 omzetbelasting. De zaak is complex vanwege de verschillende contractuele verhoudingen tussen belanghebbende, winkeliers en gebruikers en de toepassing van Europese rechtspraak over de maatstaf van heffing bij vouchers.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat de maatstaf van heffing voor de telecommunicatiediensten het bedrag is dat belanghebbende van de winkelier ontvangt, en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.