Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De betrokkene werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op basis van een eenvoudige kasopstelling, waarbij een bedrag van €456.019,22 werd vastgesteld. Het hof baseerde zich op een rapport van een financieel rechercheur en stelde vast dat het voordeel was verkregen uit bewezenverklaarde feiten en andere strafbare feiten.
Het cassatiemiddel betrof de motivering van de schatting van het voordeel en de toepassing van artikel 36e, tweede en derde lid, Wetboek van Strafrecht. De Hoge Raad bevestigde dat het hof terecht toepassing had gegeven aan artikel 36e, derde lid, omdat het bewezenverklaarde misdrijf witwassen werd bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie en dat het hof niet hoefde te concretiseren welke andere strafbare feiten het voordeel hadden veroorzaakt.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het vereiste van een strafrechtelijk financieel onderzoek niet meer geldt voor feiten gepleegd na 1 juli 2011, waardoor het middel faalde. Het beroep in cassatie werd verworpen en de zaak werd terugverwezen voor hernieuwde behandeling in hoger beroep.
De uitspraak bevestigt de jurisprudentie omtrent de toepassing van de eenvoudige kasopstelling en verduidelijkt de voorwaarden waaronder artikel 36e, derde lid, Sr kan worden toegepast bij ontnemingsvorderingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof heeft terecht toepassing gegeven aan artikel 36e, derde lid, Sr bij de ontnemingsvordering.