Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel geschat op basis van een eenvoudige kasopstelling, waarbij het wederrechtelijk voordeel werd vastgesteld op €456.019,22.
Betrokkene was in hoger beroep veroordeeld voor oplichting en medeplegen van poging tot oplichting, feiten die werden gepleegd in 2012. Het hof paste artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht toe, dat sinds 1 juli 2011 geen vereiste meer stelt voor een strafrechtelijk financieel onderzoek. Het hof hoefde daarom niet te concretiseren welke andere strafbare feiten het voordeel opleverden.
Het cassatiemiddel klaagde over onvoldoende motivering van de schatting en de toepassingsvoorwaarden van artikel 36e Sr, maar de Hoge Raad oordeelde dat het hof dit duidelijk en begrijpelijk had gedaan. Ook de klacht dat het hof had moeten vaststellen dat een strafrechtelijk financieel onderzoek was ingesteld faalde, omdat de feiten na 1 juli 2011 waren gepleegd.
De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde daarmee de rechtmatigheid van de toegepaste berekeningsmethode en de ontnemingsvordering. De zaak wordt terugverwezen naar het hof voor verdere behandeling, conform het advies van de Advocaat-Generaal.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden wordt bekrachtigd betreffende de ontnemingsvordering van €456.019,22.