Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
26 juni 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die op 1 oktober 2013 werd veroordeeld voor rijden onder invloed van GHB en oxazepam. Naast de strafrechtelijke vervolging legde het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) aan verdachte een verplichting op tot deelname aan een onderzoek naar rijvaardigheid en schorste het CBR het rijbewijs. De raadsman voerde aan dat vervolging in strijd was met het ne bis in idem-beginsel, omdat verdachte reeds administratief werd gesanctioneerd.
Het hof verwierp dit verweer en stelde dat het onderzoek door het CBR en de bestuurlijke maatregelen geen punitief karakter hebben en derhalve niet gelijkgesteld kunnen worden met strafrechtelijke sancties. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de situatie niet vergelijkbaar is met de uitzonderlijke casus van het alcoholslotprogramma, waarbij twee procedures over hetzelfde feit met sterk gelijkende gevolgen aan de orde waren.
De Hoge Raad concludeert dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de strafvervolging en dat het opleggen van een bestuurlijke maatregel door het CBR geen beletsel vormt voor strafrechtelijke vervolging. Het beroep van verdachte wordt verworpen.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen; het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de strafvervolging ondanks het CBR-geschiktheidsonderzoek.