Conclusie
1.Cassatieberoep
De verdachte is op 10 mei 2017 een onherroepelijke strafbeschikking van € 300,- opgelegd ter zake van - kort gezegd - rijden onder invloed met een ademalcoholgehalte (AAG) van 275 microgram. Deze strafbeschikking valt onder de in art. 123b WVW 1994 neergelegde recidiveregeling voor ernstige verkeersdelicten. Op 6 oktober 2017 is de verdachte aangehouden op verdenking van rijden onder invloed met een bloedalcoholgehalte (BAG) van 1,31 promille. Het verzoek van de verdediging om alternatieve afdoening door middel van een transactie of een (voorwaardelijk) sepot is door het openbaar ministerie afgewezen. Als gevolg van voornoemde regeling zal het rijbewijs van de verdachte van rechtswege ongeldig worden wanneer hij onherroepelijk wordt veroordeeld voor dit feit.
2.De procedure
2.2 Ontvankelijkheid Openbaar MinisterieTer terechtzitting is namens de verdachte bepleit het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging omdat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met beginselen van een goede procesorde en geen redelijk denkend lid van het openbaar ministerie tot een vervolgingsbeslissing had kunnen komen, één en ander zoals uiteengezet in de pleitnotitie.
Aan de hand van na te noemen feiten, die de politierechter vaststelt op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting, overweegt de politierechter het volgende.
De politierechter stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.
Zo’n uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).
De politierechter stelt vast dat in deze zaak:
- verdachte wordt verweten dat hij op 6 oktober 2018 onder invloed van alcohol heeft gereden, hetgeen hij ook bekent;
- verdachte op 10 mei 2017 een strafbeschikking van € 300,- wegens het rijden onder invloed met een AAG van 275 Ug/1 opgelegd heeft gekregen. Daarbij is hem niet medegedeeld dat hij daarmee een eerste strafpunt in het kader van de recidiveregeling van 123b WvW 1994 opliep;
- verdachte op 6 oktober 2018 heeft gereden met een BAG dat na tegenonderzoek 1,31 promille bleek te zijn. Omdat de grens voor het tweede strafpunt bij 1,3 promille ligt, wordt het rijbewijs van verdachte bij een onherroepelijke veroordeling ten gevolge van de recidiveregeling van rechtswege ongeldig;
-1,3 promille eveneens de grens is waarbij na een melding ex artikel 130 WvW Pro 1994 het CBR besluit tot een psychiatrisch onderzoek naar de rijgeschiktheid. Verdachte heeft dat onderzoek ex artikel 131 WvW Pro 1994 reeds ondergaan, met als uitkomst dat hij door het CBR rijgeschikt is verklaard. Verdachte heeft zijn rijbewijs op 20 februari 2019 teruggekregen op de voorwaarde dat hij een EMA cursus zou volgen. De EMA cursus heeft verdachte op 24 april 2019 gevolgd.
Op zich levert het feit dat een bestuurder zich zowel bestuursrechtelijk aan een onderzoek naar de rijgeschiktheid door het CBR moet onderwerpen als strafrechtelijk vervolgd wordt, geen vervolgingsbeletsel op. In casu is echter het onderzoek naar de rijgeschiktheid al geheel succesvol afgerond voordat het Openbaar Ministerie besluit tot vervolging dan wel deze voortzet, terwijl daarbij vaststaat dat die vervolging, zonder dat daarbij door het Openbaar Ministerie of de rechter rekening kan worden gehouden met de omstandigheid dat betrokkene reeds onderzocht en geschikt verklaard is, van rechtswege zal leiden tot verval van de geldigheid van het rijbewijs.
Bovendien gaat het om een overschrijding met slechts 0,01 promille waardoor verdachte binnen het bereik van de recidiveregeling valt, is het evident dat toepassing van de recidiveregeling geen toegevoegde waarde heeft omdat immers de rijgeschiktheid van verdachte reeds is vastgesteld en is er sprake van een groot persoonlijk belang voor behoud van zijn rijbewijs in verband met zijn baan. Namens verdachte is dan ook verzocht een alternatieve afdoening door middel van een transactie of een (voorwaardelijk) sepot, hetgeen door het Openbaar Ministerie is afgewezen.
De politierechter is gelet op bovenstaande omstandigheden van oordeel dat in casu de vervolging van de verdachte is ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In deze zaak is naar het oordeel van politierechter - alles overwegende - sprake van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur.
Gelet op het voorgaande, is de politierechter van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte behoort te worden verklaard.”
De politierechter motiveert zijn beslissing slim door de stellen dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Maar de verdachte was een gewaarschuwd man, het had hem volstrekt duidelijk moeten zijn dat alcohol en deelnemen aan het verkeer niet samengaan. Al met al ben ik van mening dat het openbaar ministerie onterecht niet ontvankelijk is verklaard, waarbij ik mij met name baseer op de uitspraken zoals genoemd in punt 3 van de appelschriftuur. [2] De uitspraak van de politierechter moet vernietigd worden.
Wat betreft het gemeten promillage en het verweer dat het gaat om overschrijding van slechts 0,01 promille waardoor de verdachte in de recidiveregeling valt: de verdachte heeft nog steeds bijna drie keer zoveel gedronken als toegestaan. Ik begrijp de opmerking dat dit vlakbij een grens ligt, maar het is nu eenmaal veel te veel, dat kan gewoon niet.”
Het uitgangspunt van de recidiveregeling, t.w. dat de betrokkene op het moment van zijn (tweede) veroordeling vermoedelijk niet geschikt is voor deelname aan het gemotoriseerd verkeer en dat die geschiktheid (dus, eerst) moet worden onderzocht alvorens de veroordeelde opnieuw kan worden toegelaten tot deelname aan het gemotoriseerde verkeer (lees: een geldig rijbewijs kan krijgen) komt derhalve in de onderhavige zaak aantoonbaar niet overeen met de feitelijke omstandigheden. Dat maakt deze zaak tot een bijzonder, van het normaaltype afwijkend geval.
Verdachte heeft om deze redenen het OM beargumenteerd verzocht om de zaak op een alternatieve wijze af te doen, zodanig dat het strafbare feit wel bestraft zou worden maar zonder dat de recidiveregeling van toepassing zou zijn, bijvoorbeeld door een transactie of door een (voorwaardelijk) sepot. Het OM heeft dat verzoek afgewezen.
De Politierechter heeft de ontvankelijkheid van het OM beoordeeld in de sleutel van de bevoegdheden van het OM ex artikel 167 Sv Pro en (dus) onderzocht of in het onderhavige, bijzondere, geval sprake was van een zodanige aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat die onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde, in het bijzonder het verbod van willekeur c.q. het beginsel van redelijke en billijke belangenafweging.
De Politierechter heeft vastgesteld dat in de onderhavige zaak het onderzoek naar de rijgeschiktheid als geheel succesvol was afgerond voordat het OM besloot tot vervolging, terwijl daarbij vaststond dat die vervolging, zonder dat daarbij door het OM of de rechter rekening zou kunnen worden gehouden met de omstandigheid dat de verdachte reeds onderzocht en geschikt verklaard was, van rechtswege zou leiden tot verval van de geldigheid van het rijbewijs.
Daarnaast heeft de Politierechter vastgesteld dat het in de onderhavige zaak gaat om een overschrijding met slechts 0,01 promille waardoor verdachte in het bereik van de recidiveregeling valt, de toepassing van de recidiveregeling evident geen toegevoegde waarde heeft omdat de rijgeschiktheid van de verdachte reeds is vastgesteld, verdachte groot persoonlijk belang heeft bij behoud van zijn rijbewijs en het OM een verzoek om alternatieve afdoening heeft afgewezen.
Op grond van deze omstandigheden heeft de politierechter geoordeeld dat in de onderhavige zaak sprake is van een zodanige aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat deze onverenigbaar was met het verbod op willekeur, zodat het OM door de politierechter niet-ontvankelijk is verklaard.
Verdachte is het uiteraard eens met de beslissing van de Politierechter.
2. Reactie op standpunt OM/appèlschriftuur.
Het OM heeft op 1 juli 2019 een appèlschriftuur ingediend.
- In de schriftuur verwijst het OM o.a. naar het arrest van het Gerechtshof Den Bosch d.d. 30 maart 2018, NL:GHSHE:2018:1464, stellende dat het Hof in dat arrest aansluiting zoekt bij de arresten van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 23 april 2018 en van de Hoge Raad d.d. 18 december 2018. Chronologisch gezien is dat niet mogelijk. Inhoudelijk is van belang dat het Hof Den Bosch in zijn arrest de ontvankelijkheidsvraag (net als de Hoge Raad op 18 december 2018) heeft beoordeeld in de sleutel van het ne bis in idem beginsel (Hof r.o. 1 en r.o.7, HR r.o. 2.5). Ook de door het OM aangehaalde overweging van het Hof omtrent de nauwe samenhang tussen de beide procedures (strafvervolging en recidiveregeling) is in de ne bis in idem-sleutel gesteld. Noch het in de onderhavige zaak gevoerde verweer, noch de beslissing van de politierechter is echter op schending van het ne bis in idem beginsel op gestoeld. Zowel het Hof Den Bosch (r.o. 7.2) als de Hoge Raad (r.o.2.4) overwegen (nog steeds in de ne bis in idem-sleutel) nog dat de rechter bij het feit dat tot de tweede veroordeling leidt in het kader van de straftoemeting rekening kan houden met het gevolg dat door de recidiveregeling de geldigheid van het rijbewijs vervalt.
De Politierechter heeft echter terecht overwogen dat in de onderhavige zaak geen rekening zou kunnen worden gehouden met de (bijzondere) omstandigheid, dat de geldigheid van het rijbewijs van rechtswege zou vervallen terwijl de verdachte reeds onderzocht en geschikt verklaard was.
- Volgens het OM zou het gelijkheidsbeginsel in het gedrang komen indien personen worden vervolgd bij een alcoholgehalte van minder dan 1,30 milligram terwijl personen met een alcoholgehalte van 1,30 milligram of meer niet worden vervolgd, omdat zij een tweede punt zouden krijgen. Zo algemeen gesteld is dat correct. Wat het OM echter negeert is dat in de onderhavige zaak de niet-ontvankelijkheid (het niet – mogen - vervolgen) niet zijn oorzaak vindt in het blote feit dat bij veroordeling het rijbewijs ongeldig zou worden, maar (wederom) in het bijzondere feit dat dat zou geschieden terwijl de verdachte reeds onderzocht en geschikt verklaard was. Die omstandigheid onderscheidt het onderhavige geval van de door het OM genoemde algemene situatie.
- Het door het OM genoemde artikel 42 e RR bepaalt dat verklaringen van geschiktheid, geregistreerd vóór de registratie van de ongeldigheid op grond van de recidiveregeling, vervallen op het moment van de registratie van de ongeldigheid. Het artikel maakt onderdeel uit van de regeling voor het aanvragen van een vervangend rijbewijs nadat een rijbewijs ex art. 123b WVW1994 ongeldig is geworden (art. 42 a e.v. RR).
Omdat voor het aanvragen van een vervangend rijbewijs na ongeldigverklaring op grond van de recidiveregeling géén recidivevrije periode geldt en de geldigheidsduur van een verklaring van geschiktheid in principe één jaar is (vgl. artt. 34, 35, 36, 40, 42 RR) wordt door de regel van art. 42 e RR (juncto art. 42b tweede lid onder c sub II RR) voorkomen dat voor die aanvraag een (oude, maar nog wel geldige) verklaring van geschiktheid kan worden gebruikt die werd afgegeven op grond van een geschiktheidsonderzoek dat werd verricht vóórdat bij dat onderzoek rekening kon worden gehouden met de recidive. Het artikel ziet derhalve een andere situatie dan de situatie in de onderhavige zaak. Het artikel bevestigt wel het ontbreken van enige toegevoegde waarde van de recidiveregeling in het onderhavige geval: in casu is het geschiktheidsonderzoek immers juist geschied vanwege de recidive.
Op grond van art. 42b tweede lid onder c sub II juncto 42 RR zal de op dat onderzoek gegronde verklaring van geschiktheid echter vervallen zodra ten gevolge van de tweede veroordeling het rijbewijs van de verdachte ongeldig wordt, en moet de verdachte, wil hij op de voet van art. 42 a RR een vervangend rijbewijs kunnen aanvragen, opnieuw hetzelfde geschiktheidsonderzoek ondergaan, zonder dat er zich met betrekking tot de recidive enige verandering heeft voorgedaan. Het heeft dus geen toegevoegde waarde. Dat de wetgever er van uit gaat dat bij herhaaldelijk rijden onder invloed iemand niet meer geschikt en rijvaardig is om aan het (gemotoriseerd) verkeer deel te nemen is precies de reden waarom het OM, in het geval dat dat uitgangspunt in een concreet geval evident onjuist is omdat de betreffende persoon aantoonbaar wél geschikt is, af dient te zien van een vervolging die tot vaststaand gevolg zal hebben dat op grond van dat onjuiste uitgangspunt het rijbewijs ondanks de geschiktheid toch ongeldig zal worden.
- Dat de recidiveregeling een uit de wet voortvloeiend gevolg is waarbij (dus) noch door het OM noch door de rechter een afweging kan worden gemaakt of het betreffende gevolg in een concreet geval apert onredelijke consequenties heeft benadrukt des te meer de verantwoordelijkheid van het OM om zich bij het maken van de keuze tot vervolging rekenschap te geven van die onredelijke consequenties en zich af te vragen of vervolging gezien die consequenties wel evenredig is. Dat is wat de politierechter in de onderhavige zaak beoordeeld heeft.
Dat niet-vervolgen in casu zou impliceren dat er geen bestraffing van rijden onder invloed mogelijk zou zijn miskent dat (zoals ook door de verdachte was voorgesteld) gekozen had kunnen worden voor een transactie, een afdoeningswijze die door het OM zelf op haar website uitdrukkelijk wordt betiteld als straf. (…)
Vooropgesteld moet worden dat de voorgenomen afschaffing van de recidiveregeling door de Politierechter niet ten grondslag is gelegd aan de beslissing tot niet ontvankelijkverklaring. Of er wel of geen sprake is van gewijzigd inzicht bij de wetgever en of de afschaffing wel of geen doorgang zal vinden, raakt dus niet aan de beslissing van de Politierechter.
Overigens is het inzicht van de wetgever (althans de ministers van Justitie en Veiligheid en van Infrastructuur en Waterstaat) over de werking van de recidiveregeling wel degelijk gewijzigd: in hun brief van 7 maart 2018 aan de voorzitter van de Tweede Kamer (TK 2017-2018, 29398, nr. 588) schrijven de ministers immers in § 2.3 dat de Kamer reeds in 2016 werd geïnformeerd over de uitkomsten van de evaluatie van de recidiveregeling, dat er toen (al) twijfels bestonden over de effectiviteit van de regeling, dat er daarna een verbeterplan werd opgesteld en uitgevoerd maar dat desalniettemin blijkt dat de recidiveregeling (nog steeds) geen tot nauwelijks toegevoegde waarde heeft en daardoor niet effectief is. De ministers zijn met andere woorden tot het gewijzigd inzicht gekomen dat de recidiveregeling niet effectief is en daarom afgeschaft dient te worden. Dat de afschaffing van de recidiveregeling onderdeel is van een wetswijziging die onder meer bij ervaren bestuurders de ondergrens voor het opleggen van een onderzoek naar de rijgeschiktheid van 1,8 promille naar 1,3 promille verlaagt is voorde onderhavige zaak niet relevant, omdat de verdachte geen ervaren bestuurder was maar een beginnend bestuurder. Voor de verdachte gold die lage ondergrensgrens van 1,3 promille reeds. Het onderzoek heeft dan ook plaats gevonden vanwege de overschrijding van die lage ondergrens, zodat voor hem geen sprake is van een aanscherping.
Verdachte verzoekt het Hof de beslissing van de Politierechter te bevestigen, althans het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging.”