ECLI:NL:HR:2018:1142

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
10 juli 2018
Zaaknummer
18/00226
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake belastingaanslagen en boetebeschikkingen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 december 2017, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant werd behandeld. De zaak betrof navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 1990 tot en met 2007, navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1991 tot en met 2000, alsmede beschikkingen over verhogingen, boetes en heffingsrente.

De Hoge Raad ontving vijf cassatiemiddelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling oordeelde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden, omdat deze geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Daarnaast achtte de Hoge Raad geen gronden aanwezig voor een veroordeling in proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter en raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende is ongegrond verklaard.

Uitspraak

13 juli 2018
nr. 18/00226
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 7 december 2017, nrs. 15/00347 tot en met 15/00374, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. AWB 12/6542 tot en met 12/6544, AWB 12/6546 tot en met 12/6564, AWB 12/6566, AWB 12/6568 en AWB 12/6572 tot en met 12/6575) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1990 tot en met 2007 opgelegde (navorderings)aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de over de jaren 1991 tot en met 2000 opgelegde navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake een verhoging dan wel boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij vijf middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president G. de Groot als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.