Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
10 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin werd geoordeeld over de vraag of het ’s nachts roepen van scheldwoorden te midden van publiek dat een uitgaansgelegenheid verlaat, een verstoring van de openbare orde oplevert op grond van artikel 2.2.1 van de APV 2008 Amsterdam.
De verdachte werd in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld voor het overtreden van deze bepaling. In cassatie stelde de raadsman een middel voor dat de Hoge Raad echter niet ontvankelijk achtte voor verdere behandeling, omdat het middel geen rechtsvragen opriep die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het beroep, hetgeen de Hoge Raad volgde. Hiermee blijft het arrest van het Gerechtshof Amsterdam in stand. De Hoge Raad benadrukt dat het roepen van scheldwoorden in deze context niet automatisch een verstoring van de openbare orde inhoudt.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en werd op 10 juli 2018 uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte wegens ordeverstoring.