ECLI:NL:HR:2018:1208

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juli 2018
Publicatiedatum
12 juli 2018
Zaaknummer
17/03998
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bewijswaardering bij betwisting levering goederen en diensten

In deze zaak vorderden eiseres c.s. betaling van facturen van verweerster, die betwistte dat de goederen en diensten waren geleverd. De rechtbank Maastricht en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch behandelden het geschil in meerdere instanties, waarbij het hof de bewijswaardering van de geleverde prestaties bevestigde.

Eiseres c.s. stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het hof, maar verweerster verscheen niet in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde tot niet-ontvankelijkverklaring van één eiseres en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om tot cassatie te leiden en dat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.

De Hoge Raad verwierp het beroep en veroordeelde eiseres c.s. in de kosten van het geding in cassatie. Hiermee blijft het oordeel van het hof over de bewijswaardering en de vordering tot betaling van de facturen in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bewijswaardering van het hof bevestigd.

Uitspraak

13 juli 2018
Eerste Kamer
17/03998
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiseres 3],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. J. den Hoed,
t e g e n
[verweerster],
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] c.s. en [verweerster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak C/03/159146/HA ZA 11-208 van de rechtbank Maastricht van 12 februari 2014;
b. de arresten in de zaak HD 200.144.208/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 20 mei 2014, 6 oktober 2015, 21 maart 2017 en 16 mei 2017.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 6 oktober 2015 en 16 mei 2017 hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerster] is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] c.s. toegelicht door hun advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiseres 1] in haar cassatieberoep, en voor het overige tot verwerping.
De advocaat van [eiser] c.s. heeft op 15 juni 2018 schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerster] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en H.M. Wattendorff, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer T.H. Tanja-van den Broek op
13 juli 2018.