Conclusie
2.Procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1zijn rov. 4.3 en 2 sub (iv) onbegrijpelijk althans ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof daarin de chronologie van het aanvraagformulier en de inkomensverklaring door elkaar haalt. Immers eerst werd het aanvraagformulier ingevuld en opgestuurd; pas na ontvangst van de offerte(s) werd de daarbij gevoegde inkomensverklaring ondertekend en verzonden aan Amstelstaete.
financieringsadviesd.d. 19 mei 2006 (prod. 1 bij dagvaarding) heeft verstrekt, waarin de juiste inkomensgegevens zijn opgenomen (dagvaarding nr. 7; MvA nr. 21).
hypotheekaanvraagd.d. 26 oktober 2006 (prod. 4 bij MvG) gestuurd naar Amstelstaete, waarin onjuiste inkomensgegevens zijn opgenomen (MvG nr. 3.13). De aanvraag bevat handtekeningen van de twee aanvragers. [verweerder 1] heeft gesteld dat hij eerst in 2012 kennis heeft genomen van dit formulier en dat de handtekeningen van [verweerders] hierop zijn vervalst (p.-v. van de comparitie na aanbrengen d.d. 21 maart 2016, blad 2; MvA nr. 2.5).
offerted.d. 26 oktober 2006 (prod. 10 bij MvG) heeft verstrekt (MvG nr. 3.17). [8] De offerte vermeldt o.m. de kredietsom en het maandbedrag, maar geen inkomensgegevens.
hypotheeklastberekening(prod. 2 bij dagvaarding) te hebben ontvangen van S&L Star en dat daarin de juiste inkomensgegevens zijn vermeld (dagvaarding nr. 11).
inkomensverklaring(prod. 5 bij dagvaarding; prod. 5 bij MvG) bevat onjuiste inkomensgegevens. De inkomensverklaring bevat de handtekeningen van de twee leningnemers en van de tussenpersoon. [verweerder 1] heeft gesteld dat [verweerders] deze verklaring op verzoek van een medewerker van S&L Star blanco hebben getekend, omdat daarop nog de inkomens/pensioengegevens ingevuld zouden moeten worden (dagvaarding nr. 14; p.-v. van de comparitie van 17 maart 2015, blad 3, bovenaan; p.-v. van de comparitie na aanbrengen d.d. 21 maart 2016, blad 2; vgl. MvA nr. 2.30). De inkomensverklaring is niet gedateerd, maar verwijst wel naar het offertenummer en is dus kennelijk van na de datum van de offerte.
inkomensverklaringal bij het
aanvraagformulierwas gevoegd. Het hof heeft in het licht van die stellingen [9] de chronologie inderdaad niet goed weer te geven. [10]
financieringsadviesen de
hypotheeklastberekening, en (ii) niet [verweerder 1] , maar S&L Star heeft – in het
aanvraagformulieren de
inkomensverklaring– buiten [verweerder 1] om onjuiste inkomensgegevens verstrekt aan Amstelstaete (vgl. rov. 4.3, eerste volzin; rov. 6.2). Het door subonderdeel 1.1 opgeworpen punt van de chronologie doet dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 4.3, dat [verweerder 1] de stelling van Amstelstaete dat [verweerder 1] zelf een verkeerd inkomen heeft opgegeven, gemotiveerd heeft betwist. Subonderdeel 1.1. kan daarom niet tot cassatie leiden.
inkomensverklaringecht zijn en dat Amstelstaete heeft betwist dat [verweerder 1] deze verklaring blanco heeft ondertekend. Aansluitend klaagt
subonderdeel 1.2.1dat het hof in rov. 4.3 miskent (i) dat de inkomensverklaring een onderhandse akte is met dwingende bewijskracht (art. 157 lid 2 Rv Pro) en dat op [verweerder 1] de bewijslast rust van diens stelling dat de inkomensverklaring door een ander is ingevuld, althans (ii) dat eventuele bewijslevering door Amstelstaete tegenbewijs betreft zodat aan het bewijsaanbod niet de eis van voldoende specificatie mag worden gesteld.
subonderdeel 1.2.2(sub b-d) bedoelde stellingen van Amstelstaete, kort gezegd, dat in de ondertekende offerte is verklaard dat het aanvraagformulier naar waarheid is ingevuld, dat de bedragen op het aanvraagformulier en de inkomensverklaring hetzelfde zijn, dat de handtekeningen onder die stukken en de offerte gelijkenissen tonen en dat [verweerder 1] intensief betrokken was bij verschillende stappen in het contracteringsproces. De onder a aangevoerde stelling moet buiten beschouwing worden gelaten, omdat het subonderdeel niet verwijst naar vindplaatsen in de stukken waaruit blijkt dat deze stelling in feitelijke instantie is aangevoerd. Subonderdeel 1.2.2 faalt daarom.
aanvraagformulierzou blijken dat [verweerder 1] reeds in 2006 op de hoogte was van de overkreditering. [verweerder 1] heeft die stelling bestreden door zich er, volgens het hof voldoende gemotiveerd, op te beroepen dat hun handtekeningen onder dat formulier zijn vervalst.
subonderdeel 1.3is het hof voorbij gegaan aan door Amstelstaete aangevoerde essentiële stellingen waaruit zou volgen dat zij uit mocht gaan van de juistheid van de handtekeningen, [17] zodat – in afwijking van de hoofdregel van het arrest Kamerman/Aro Lease [18] − [verweerder 1] zich er jegens Amstelstaete niet op kan beroepen dat de handtekeningen zijn vervalst.
subonderdeel 1.4miskent het hof in rov. 6.2 dat het verweer van Amstelstaete dat sprake is van hypotheekfraude (grief III) ertoe strekte dat zij geen zorgplicht jegens [verweerder 1] had geschonden omdat haar zorgplicht niet strekt tot bescherming tegen (de gevolgen van) eigen fraude. Als verweer tegen de door [verweerder 1] aangevoerde schending van haar zorgplicht gaat het (anders dan in verband met het beroep op verjaring of eigen schuld) niet om een bevrijdend verweer, maar om een ontkennend verweer. Daarom rust op Amstelstaete niet de bewijslast ten aanzien van de feitelijke stelling dat [verweerder 1] opzettelijk verkeerde gegevens heeft verschaft aan Amstelstaete, aldus het subonderdeel.
subonderdeel 2.1is het in rov. 7.3, eerste alinea, gegeven oordeel onjuist, omdat naar de in 2006 geldende normen - die onder meer tot uitdrukking komen in art. 51 Wfd Pro en de destijds geldende Gedragscode Hypothecaire Financieringen - de op de (execution only) verstrekker van een hypothecaire geldlening (voor een eigen woning) jegens een consument rustende zorgplicht om te waken tegen overkreditering niet zo ver ging dat deze de juistheid diende te verifiëren van door de kredietnemer in samenspraak met zijn (vergunning houdende, zelfstandige) hypotheekadviseur verstrekte financiële gegevens. Naar de in 2006 geldende normen was een zelfstandig onderzoek naar de juistheid van de opgegeven financiële gegevens rechtens alleen vereist, indien en voor zover de verstrekte informatie aanleiding gaf of redelijkerwijs had moeten geven tot het controleren van de juistheid ervan (in welk verband subonderdeel 2.3 het in rov. 7.3, tweede alinea, gegeven oordeel bestrijdt).
dekredietwaardigheid serieus onderzoekt. De kredietgever moet inzicht hebben in zowel de inkomsten als bepaalde vaste uitgaven van de kredietaanvrager. Dit houdt in dat hij inlichtingen dient te verzamelen over enerzijds bron en hoogte van het inkomen, eventuele nevenverdiensten van de aanvrager, inkomsten van andere personen indien deze relevant zijn voor de desbetreffende aanvrage en anderzijds vaste lasten als woonlasten (huur dan wel hypotheek, alsmede de vaste bedragen aan electriciteit, gas en water), alimentatie, ziektekostenverzekering of ziekenfondspremie en dergelijke.”
eerste lidricht zich tegen het als kredietgever deelnemen aan een krediettransactie zonder te beschikken over genoegzame, anders dan mondelinge, inlichtingen over de kredietwaardigheid van de kredietnemer. (…)
subonderdeel 2.2 onder ais dit essentieel, omdat Amstelstaete daarom niet de maatschappelijke positie van een bank heeft, waarop de bijzonder zorgplicht is gebaseerd. Bovendien kan de bijzondere zorgplicht plicht ook niet worden gebaseerd op de aard van het product: de hypothecaire lening is een eenvoudig, en geen complex product, zoals nog wordt aangevoerd in
subonderdeel 2.1.
vertrouwen op door een tussenpersoon aangeleverde informatie. Hoewel het arrest daar niet over gaat, kunnen er naar mijn mening wel aanwijzingen uit worden geput.
onder meermag vertrouwen op de door de tussenpersoon aan hem verschafte informatie over de consument. Ook in dat laatste geval zou immers de kredietaanbieder zijn eigen verantwoordelijkheid jegens de consument afwentelen op de tussenpersoon.
aan hem door de consument verstrekte financiële gegevens, zeker als hij die gegevens aanlevert in samenspraak met zijn vergunning houdende zelfstandige (niet aan de gever van de hypothecaire geldlening verbonden) hypotheekadviseur, die rechtens gehouden is de juistheid daarvan te controleren.
zonderdat de consument daarvan op de hoogte was.
subonderdeel 2.1faalt. Hetzelfde geldt voor
subonderdeel 2.2 onder a.
subonderdeel 3volgt dit oordeel niet uit (rov. 4.4 en) onbekendheid met het etiket “self-certified”, omdat [verweerder 1] reeds volgens de voorgedrukte tekst van de inkomensverklaring en van de offerte behoorde te weten dat de inkomensgegevens niet zouden worden gecontroleerd.
subonderdeel 3voortbouwt op onderdeel 1, faalt het in het voetspoor daarvan.
subonderdeel 4.1geeft het oordeel dat de verjaring pas gaat lopen op het moment dat [verweerder 1] ervan op de hoogte is dat Amstelstaete jegens hem een zorgplicht heeft (rov. 4.2) een onjuiste toepassing aan het criterium ‘bekend geworden’ in art. 3:310 BW Pro, nu daarvoor niet is vereist dat de benadeelde, behalve bekend met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, ook bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden.
subonderdeel 4.1is verder niet toegelicht en dient daarom te falen. Ook de louter op subonderdeel 4.1 voortbouwende klacht van
subonderdeel 4.3dient te falen.
subonderdeel 4.2onder a t/m d komen erop neer dat het hof in de slotzin van rov. 4.2 en in rov. 4.3 en 4.4 niet is ingegaan op alle door Amstelstaete aangevoerde omstandigheden.
onder a(gericht tegen de slotzin van rov. 4.2) wijst op de stelling van Amstelstaete dat [verweerder 1] wist dat Amstelstaete de inkomensgegevens niet zou controleren omdat dit bleek uit voorgedrukte passages in de offerte en de inkomensverklaring. De klacht
onder c(gericht tegen rov. 4.4) wijst op de stelling dat in de offerte met zoveel woorden de nadrukkelijke vermelding stond dat een hogere rente verschuldigd was, omdat geen zelfstandige verificatie van de opgegeven inkomens plaatsvindt; in de inkomensverklaring stond een hiermee overeenstemmende uitdrukkelijke mededeling, aldus de klacht.
onder b(gericht tegen de slotzin van rov. 4.2) aanvoert, ziet het hof er niet aan voorbij dat de opgave van een onjuist inkomen in verband met het inzicht in het werkelijke inkomen en de werkelijke maandlast volstaat of kan volstaan voor de bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon.
onder den in de
laatste alineavan subonderdeel 4.2 (gericht tegen rov. 4.4). Het hof heeft niet miskend dat [verweerder 1] bekend was met het aan Amstelstaete te betalen maanbedrag, maar heeft gewezen op de stelling van [verweerder 1] dat hij uitging van de maandlast van
€ 255 volgens de hypotheeklastenberekening en op grond hiervan niet behoefde te vermoeden dat er sprake was van overkreditering en dat hij de maandlasten niet zou kunnen opbrengen. Het hof kon oordelen dat daarmee de stelling van Amstelstaete voldoende was betwist.