ECLI:NL:HR:2018:124

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2018
Publicatiedatum
1 februari 2018
Zaaknummer
17/00122
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 lid 2 letter f Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt uitspraak over negatieve waarde renteswap in box 3 inkomen

In deze zaak stond centraal de fiscale behandeling van een negatieve waarde van een renteswap in box 3 van de inkomstenbelasting over het jaar 2009. Belanghebbende was in hoger beroep gegaan tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland die de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de beschikking inzake heffingsrente betrof.

De Staatssecretaris van Financiën stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, dat het hoger beroep van belanghebbende had behandeld. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de Staatssecretaris ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het hof werd bekrachtigd.

De Advocaat-Generaal had eerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris tevens in de proceskosten van het cassatiegeding, vastgesteld op € 3006 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het arrest werd op 2 februari 2018 openbaar uitgesproken door de president, vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het hof bevestigd.

Uitspraak

2 februari 2018
nr. 17/00122
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Amsterdamvan 29 november 2016, nrs. 16/00015 en 16/00020, op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 14/842) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2009 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) en de daarbij gegeven beschikking inzake heffingsrente. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Staatssecretaris heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 11 oktober 2017 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep (ECLI:NL:PHR:2017:1134).
De Staatssecretaris heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

Het middel faalt op grond van hetgeen is overwogen in de onderdelen 2.3.2 en 2.3.3 in het heden in de zaak met nummer 17/00057 tussen dezelfde partijen uitgesproken arrest.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 3006 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de president M.W.C. Feteris als voorzitter, de vice-president G. de Groot en de raadsheren M.A. Fierstra, J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 501.