Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Overzicht
swapals schuld of als negatieve bezitting tot de grondslag van box 3 van de inkomstenbelasting behoort, en als logisch sequeel ook over de vraag of een niet-gerealiseerde positieve waarde van een rente
swapals bezitting in box 3 valt.
interest rate swap(IRS) aangegaan. In 2007, 2008 en 2009 had de
swapeen voor hem negatieve waarde die hij, voor zover de lening in box 3 valt, in mindering wil brengen op zijn box 3-grondslag.
swapals afzonderlijk vermogensbestanddeel te beschouwen. In 2007 en 2008 kwam de negatieve waarde daarvan volgens de rechtbank dus niet in mindering op de rendementsgrondslag, maar in 2009 wél. In hoger beroep kwalificeerde het Hof Amsterdam de
swapals een ‘overig vermogensrecht’ ex art. 5.3(2)(f) Wet IB 2001 met een negatieve waarde, dat in alle drie de jaren in de box 3 grondslag valt.
swapovereenkomst geen verplichting tot betaling in, waardoor zij ook geen ‘schuld’ is.
swapsmet een positieve waarde vallen), alsmede dat in box 3 vallen alle bezittingen die ‘in economische zin’ rendement kunnen opleveren (daaronder vallen mijns inzien rente
swaps, die immers positief kunnen zijn). Ik heb in de parlementaire geschiedenis geen aanwijzingen gevonden voor het standpunt dat ‘bezittingen’ geen negatieve waarde kunnen hebben en ik acht niet aannemelijk dat de wetgever een onsamenhangende en asymmetrische box 3 zou hebben gewild, aldus dat dezelfde
swap, uitsluitend afhankelijk van zijn toevallige en voor de ratio van box 3 irrelevante teken, het ene moment wel en het andere moment niet in box 3 zou vallen. Ik meen daarom dat het Hof de litigieuze
interest rate swap,die ook positief had kunnen zijn, terecht als ‘bezitting’ heeft aangemerkt. De Staatssecretaris heeft overigens zowel in zijn door de belanghebbende overgelegde publicatie op d website van de belastingdienst als in eerdere procedures het standpunt ingenomen dat
interest rate swapszelfstandige vermogensrechten zijn.
swapwél alleen een ‘bezitting’ zou zijn op de momenten waarop zij een positieve waarde heeft en niet op de momenten waarop zij een negatieve waarde heeft, dan meen ik dat de litigieuze IRS nog steeds in box 3 valt, nl. als ‘schuld’. U oordeelde in HR
BNB2005/247 voor de vermogensbelasting – die wat de term ‘schuld’ betreft ook voor box 3 van belang is - dat bij de waardering van twee LegioLease-contracten rekening moest worden gehouden met de kosten die bij eventuele tussentijdse beëindiging van die contracten zouden ontstaan (van daadwerkelijke beëindiging was geen sprake, net zomin als in ons geval), waaruit volgt dat de term ‘schulden’ voor de toepassing van box 3 een ruimere betekenis heeft dan in het burgerlijke recht. Dat volgt ook uit de voor box 3 relevante MvT bij de Wet op de vermogensbelasting 1964: de wetgever vat ‘schuld’ op als spiegelbeeldbegrip van ‘bezitting’ en vat dit begrip niet op als uitsluitend conform het civiele recht. Anders dan de Staatssecretaris kennelijk meent, kunnen voorts aan een overeenkomst onder potestatieve voorwaarde wel degelijk, ook als zij civielrechtelijk geen ‘verbintenis’ is, civielrechtelijke verplichtingen verbonden zijn, die wel degelijk een negatieve waarde in het economisch verkeer kunnen hebben.
2.De feiten, het geschil en het geding in feitelijke instanties
De feiten en het geschil
interest rate swap(IRS)) aangegaan bij SNS Bank NV. Die laatste overeenkomst is gesloten op 9 mei 2007, ging in per 2 juli 2007 en zou lopen tot 1 juli 2017. Het effect daarvan was dat gedurende de looptijd van de
swapde lening in wezen tegen een vaste rente ad 4,46% liep. De belanghebbende heeft daarnaast nog € 2 miljoen geleend (later verhoogd met nog 0,8 miljoen) tegen variabele rente zonder het renterisico af te dekken. De belanghebbende en SNS Property Finance BV zijn op 27 april 2012 bij vaststellings-overeenkomst overeengekomen dat de opslag op Euribor tot 1 oktober 2017 1,15%-punt zou bedragen en dat de IRS met terugwerkende kracht tot 1 oktober 2007 wordt gewijzigd in een rente
swapwaarvan de hoofdsom afloopt met € 5.833,33 per maand.
swaphebben afgekocht (hetgeen hij niet heeft gedaan), dan had hij bij afkoop op de volgende tijdstippen de (negatieve) marktwaarde aan SNS Bank N.V. moeten vergoeden, waarvan de volgende bedragen toerekenbaar zouden zijn geweest aan het box 3 deel van de lening:
- Begin 2007: € 0
- Ultimo 2007: NEG € 40.214
- Begin 2008: NEG € 40.214
- Ultimo 2008: NEG € 260.431
- Begin 2009: NEG € 260.431
- Ultimo 2009: NEG € 344.174
Stiftungof
Anstalten heeft de belanghebbende bij brieven van 10 september 2009, 28 januari, 29 maart, 30 juni en 24 september 2010 verzocht om informatie daarover. Op 8 oktober 2010 heeft hij, kennelijk tot behoud van rechten, medegedeeld dat hij voornemens was om (navorderings)aanslagen IB/PVV 1998, vermogensbelasting 1999, en IB/PVV 2004, 2005 en 2006 op te leggen, alsmede boetes (hierna: de eerste serie (navorderings)aanslagen). De belanghebbende heeft de inspecteur bij brief van 19 oktober 2010 gegevens verstrekt, die de Inspecteur blijkens zijn brief van 26 november 2010 niet tot een ander standpunt hebben gebracht. Bij brief van 2 december 2010 heeft de belanghebbende documenten verstrekt over de bankrekening van de Liechtensteinse
Stiftungbij Bank Vontobel AG te Zürich, maar volgens de Inspecteur heeft hij toen niet alle gevraagde informatie verstrekt. Met dagtekening 15 december 2010 is de eerste serie (navorderings)aanslagen en beschikkingen vastgesteld, overeenkomstig de kennisgeving van 8 oktober 2010 en mededeling van 26 november 2010. Na belanghebbendes bezwaar daartegen heeft de Inspecteur om aanvullende informatie gevraagd. Hij heeft daar bij brief van 10 februari 2011 nogmaals om verzocht omdat hij de informatie incompleet achtte. De gemachtigde van de belanghebbende heeft op 23 februari 2011 en 6 april 2011 nadere informatie verstrekt. Bij brief van 23 juni 2011 heeft de Inspecteur een hoorverslag opgestuurd dat vermeldt dat een compromis kan worden gesloten over de omvang van het vermogen in [C]
Stiftungin de jaren 1998 t/m 2009. De belanghebbende heeft de door de Inspecteur bijgevoegde verklaring ondertekend. Op 18 augustus 2011 heeft hij echter te kennen gegeven geen compromissoire oplossing te willen. De aanzegging van oplegging van de litigieuze (navorderings)aanslagen en boeten (ik begrijp: 2000-2003, 2007 en 2008) is op 15 september 2011 verzonden. Na belanghebbendes reactie bij brief van 20 september 2011 heeft de Inspecteur op 27 september 2011 meegedeeld dat hij de (navorderings)aanslagen over die jaren zou opleggen. Bij uitspraak op bezwaar d.d. 31 oktober 2011 is de boven genoemde eerste serie (navorderings)aanslagen overeenkomstig de door belanghebbende op 2 december 2010 verstrekte gegevens verminderd.
swap:
swapop die data) tot de box 3-grondslag behoort, hetzij als negatieve bezitting, hetzij als schuld, en (ii) of de boeten ter zake van het verzwegen Liechtensteinse vermogen te hoog zijn vastgesteld.
swapals volgt:
swap. De marktwaarde van de rente
swapis de waarde in het economisch verkeer, aldus de Rechtbank, die niet afhangt van de vraag of de overeenkomst al dan niet voortijdig wordt beëindigd. Wordt de overeenkomst niet voortijdig beëindigd, dan zal de nominale tegenwaarde van de afkoopsom op dat moment bij ongewijzigde rentestand gedurende de resterende looptijd van de overeenkomst tot uitdrukking komen in de bedragen die uit hoofde van de
swapbetaald moeten worden. De Rechtbank overwoog: [4]
NTFR2016/594 als volgt becommentarieerd:
NTFR2017/897) heeft zich naar aanleiding van ’s Hofs uitspraken afgevraagd of de lening en de IRS niet (toch) gezamenlijk moeten worden gewaardeerd:
NLF2017/0179) meent dat de IRS geen voorwaardelijke verplichting is:
3.Het geding in cassatie
swapin de jaren 2007 en 2008). De zaak met nr. 17/00122 ziet op ‘s Hofs oordeel over 2009, waartegen de Staatssecretaris principaal cassatieberoep heeft ingesteld.
swap. De belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend in het principale beroep en de partijen hebben elkaar ter zake van dat beroep van re- en dupliek gediend.
swapovereenkomst geen verplichting tot betaling inhoudt zodat zij geen ‘schuld’ vertegenwoordigt. Hij licht toe:
swapovereenkomst volgens de Staatssecretaris hooguit als schuld in box 3 worden opgenomen, maar van een schuld is zijns inziens geen sprake omdat de
swapvolgens hem geen verplichting met een waarde in het economisch verkeer inhoudt:
swapovereenkomst af te kopen, is zijns inziens geen sprake van een verplichting, maar van een ‘potestatief beding’: [12]
swapskan afdwingen:
swapovereenkomst een schuld is in de zin van art. 5.3 Wet IB 2001. De belanghebbende leidt uit de conclusie voor HR
NTFR2017/1783 [13] af dat de staatssecretaris zich in die zaak op het standpunt heeft gesteld dat een rente
swapeen zelfstandig vermogensrecht is.
4.‘Bezittingen’ in box 3
BNB2010/332 [20] betrof het lidmaatschap van een vereniging van eigenaren (VvE) die een onderhoudsreserve aanhield. Dat lidmaatschapsrecht viel volgens u niet in box 1 als onderdeel van de eigen woning (het appartementsrecht), maar als ‘overig vermogensrecht’ in box 3:
swapin box 1 of in box 3 valt. Dat u het lidmaatschap van een VvE als ‘zelfstandig vermogensbestanddeel’ aanmerkte, lijkt mij overigens eerder het standpunt van de belanghebbende dan dat van de Staatssecretaris te steunen. Een zelfstandig vermogensbestanddeel kan immers zowel een negatieve als een positieve waarde hebben, zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap van een VvE met een onderhoudsdeficit, of de eigendom van ernstig verontreinigde landbouwgrond (ter zake waarvan nog geen saneringsaanschrijving is ontvangen, zodat nog geen ‘schuld’ in civielrechtelijke zin bestaat, maar ‘economisch’ wel negatief vermogen).
BNB2013/118 [21] betrof een economisch belang bij het vermogen van een
Stiftung. Ook dat belang was volgens u een ‘overig vermogensrecht’ in de zin van art. 5.3(2)(f) Wet IB 2001:
NTFR2017/1783 [23] nam de Staatssecretaris het standpunt in dat
interest rate swapszelfstandige vermogensrechten zijn. De zaak betrof een andere vraag, namelijk die naar de aftrekbaarheid als rente op de eigenwoningschuld van de door de belastingplichtige aan de bank betaalde bedragen uit hoofde van een IRS aangegaan in rechtstreeks verband met een hypothecaire lening ter financiering van de eigen woning (zulks om de variabele hypotheekrente te draaien in een vaste rente). De conclusie in die zaak geeft het standpunt van de Staatssecretaris als volgt weer:
swapbetaalde bedragen geen vergoeding zijn voor het ter beschikking stellen van een hoofdsom en evenmin kunnen worden gerekend tot de kosten van geldlening voor de eigen woning:
5.‘Schulden’ in box 3
BNB2011/166 blijkt dat u om deze reden belang hecht aan de betekenis van de term ‘schulden’ onder de Wet VB 1964 én –
a contrario– aan het ontbreken van uitsluitingen in de Wet IB 2001 die wél opgenomen waren in de Wet VB 1964.
BNB2009/203 [27] had een lijfrente geschonken aan een stichting. De waarde van de lijfrenteverplichting kwam in mindering op zijn box 3-grondslag, ook al worden de betaalde lijfrentetermijnen in aanmerking genomen als persoonsgebonden aftrekpost (art. 6.1 Wet IB 2001):
BNB2011/166 oordeelde u dat een alimentatieverplichting als schuld in box 3 in aanmerking moest worden genomen, en dat geen grond bestaat voor de opvatting dat een ‘schuld’ een samenhang moet hebben met een ‘bezitting’: [28]
6.Behandeling van de middelen ter zake van de vraag of de IRS in box 3 valt
swapzoals de litigieuze lening en
swapin het economische verkeer niet als een eenheid plegen te worden beschouwd, althans niet als eenheid plegen te worden verhandeld.
swapsmet een positieve waarde vallen), alsmede (zie 4.3) dat als bezittingen in box 3 vallen overige vermogensrechten die ‘in economische zin’ rendement ‘kunnen’ opleveren (daaronder vallen mijns inziens rente
swapsdie immers positief – maar ook negatief – kunnen zijn).
Stiftung(zie 4.8) ‘bezittingen’ en uit niets blijkt dat dat anders zou zijn als dat lidmaatschap of dat belang een negatieve waarde zou vertegenwoordigen.
gehele(saldo)vermogen in
economischezin rendement kan opleveren. Daarin past logisch en systematisch niet de uitsluiting van negatief vermogen, net zomin als daarin zou passen de uitsluiting van schulden, die dan ook niet uitgesloten zijn en die door de wetgever als het ‘spiegelbeeld’ van bezittingen zijn aangemerkt, dus: als negatieve bezittingen. Dat gewaardeerd moet worden op de ‘waarde in het economisch verkeer’ biedt mijns inziens evenmin enige steun voor uitsluiting van bezittingen met een negatieve waarde; ook het spiegelbeeld van bezittingen (schulden) moet immers naar diezelfde maatstaf gewaardeerd worden.
interest rate swapszelfstandige vermogensrechten (derivaten) zijn die zelfstandig verhandeld worden en voor speculatieve doeleinden (dus voor rendement) aangegaan worden.
BNB2005/247 [31] over een belanghebbende met twee LegioLease-contracten (aandelen
lease). De vraag was of bij de bepaling van de waarde in het economisch verkeer van die contracten voor de vermogensbelasting, behalve met de waarde van de aandelen en met de resterende verplichtingen uit de lease-overeenkomsten, ook rekening moest worden gehouden met de kosten die mogelijke tussentijdse beëindiging van de contracten met zich mee zouden brengen. U oordeelde dat die potentiële kosten – die dus niet verschuldigd waren, maar verschuldigd zouden kunnen worden als de overeenkomsten tussentijds zouden worden beëindigd, quod non - de waarde drukten:
margin calldie de bank kan doen als een voor de klant negatieve
swapde desbetreffende
thresholdoverschrijdt, een betalingsverplichting inhoudt.