Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd bewezenverklaard voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Het centrale geschilpunt was of de politieambtenaren bevoegd waren om het identiteitsbewijs van verdachte te vorderen, en of het ontbreken van die bevoegdheid tot bewijsuitsluiting moest leiden.
De politie trof verdachte omstreeks 03:15 uur aan in een garagebox in een boxgang waar eerder gestolen goederen waren gevonden. Verdachte gaf aanvankelijk meerdere valse namen op. Het hof oordeelde dat het vorderen van het identiteitsbewijs redelijkerwijs noodzakelijk was voor de uitvoering van de politietaak, mede gelet op de omstandigheden en eerdere vondsten in de boxgang. De verdediging stelde dat het vorderen onrechtmatig was omdat het niet noodzakelijk was en dat daardoor sprake was van een onherstelbaar vormverzuim.
De Hoge Raad constateerde dat het hof onduidelijkheid had over de volgorde van het vorderen van het identiteitsbewijs en het opgeven van valse namen, maar dat dit gebrek in de motivering niet tot cassatie hoefde te leiden. Ook zonder de omstandigheid dat verdachte voorafgaand aan het vorderen van het identiteitsbewijs valse namen had opgegeven, was het vorderen redelijkerwijs noodzakelijk. Het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwierp cassatieberoep en bevestigde dat vordering identiteitsbewijs door politie redelijkerwijs noodzakelijk was, bewijs bleef toelaatbaar.