Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
11 september 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor opzettelijke mishandeling. In cassatie stelde de verdachte dat het hof de tenlastelegging had verlaten door te oordelen dat hij de handelingen opzettelijk mishandelend had verricht, terwijl de tenlastelegging slechts opzettelijk handelen betrof.
De Hoge Raad overwoog dat het hof de grondslag van de tenlastelegging niet had verlaten en dat het cassatiemiddel niet tot cassatie kon leiden. Daarnaast werd het verweer van putatief noodweer besproken, waarbij de Hoge Raad verwees naar artikel 81, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering.
De Procureur-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep, en de Hoge Raad volgde dit advies. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd verworpen zonder nadere motivering omdat geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens opzettelijke mishandeling.