Conclusie
Anonimiteit van de verdachten
doorde overheid beschermd.
equality of arms,welk recht volgens hen ook aan slachtoffers, in casu de nabestaanden, toekomt.
fair trialals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro. De Slachtofferrichtlijn (Richtlijn 2012/29EU) geeft het slachtoffer het recht op een actieve deelname aan het strafproces. Dat betekent onder meer dat het slachtoffer bewijselementen kan aanvoeren. De Slachtofferrichtlijn geeft het slachtoffer echter geen recht op een door het Openbaar Ministerie of de rechter te garanderen facilitering van eigen onderzoeksmogelijkheden ten behoeve van die bewijsvergaring zonder dat andere belangen (zoals het recht van de verdachte op bescherming van zijn veiligheid) onder omstandigheden daaraan in de weg mogen staan. Of jegens de slachtoffers, voor zover zij als benadeelde partijen optreden, sprake is van een
fair trialmoet beoordeeld worden tegen de achtergrond van het proces als geheel. Naar het oordeel van het hof voldoet de procesgang in de onderhavige zaken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, met de identiteitsafscherming als toegepast, aan de eisen die jegens de nabestaanden in hun hoedanigheid van benadeelde partijen aan een
fair trialgesteld mogen worden, zulks gelet op de geboden mogelijkheden van kennisneming van processtukken, de mogelijkheden van het inbrengen van stukken, de mogelijkheid om ter zitting standpunten toe te lichten, de bejegening tijdens en rond het proces, en ook overigens.
fair trialals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, voor zover van toepassing op de positie van de nabestaanden in hun hoedanigheid van benadeelde partijen. Een en ander doet evenmin tekort aan de positie die slachtoffers in het strafproces hebben.
fair trialals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro dwingt er toe dat daarbij slechts de belangen van de slachtoffers en niet mede de belangen van de verdachten in aanmerking moeten worden genomen.
equality of arms enhet recht op het voorkomen van secundaire victimisatie.
equality of armszijn hiervoor reeds besproken.
NJ2019/413 m.nt. Krans en Kooijmans. Daarin stond een vordering van de nabestaanden centraal om de Staat te bevelen de namen van de vijf betrokken agenten aan hen te verstrekken. De civiele kamer van Uw Raad oordeelde in dat arrest dat de aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter geen betrekking heeft op voorzieningen die partijen uitsluitend verlangen met het oog op de procesvoering in de rechtsgang bij een andere rechter. Partijen zijn in die rechtsgang aangewezen op de voor die rechtsgang geldende regels en mogelijkheden. Het was volgens Uw Raad aan de rechter in die rechtsgang om te beslissen over, kort gezegd, de uitleg en toepassing van die regels en mogelijkheden (rov. 3.5.3).
the investigation must be accessible to the victim’s family to the extent necessary to safeguard their legitimate interests. There must also be a sufficient element of public scrutiny of the investigation, the degree of which may vary from case to case’. [9] In deze formulering, die de toegang tot informatie koppelt aan
legitimate interests, ligt al een beperking besloten. Daar komt bij dat, zoals Langemeijer in voormelde conclusie aangeeft (randnummer 2.17), ‘een uit art. 2 EVRM Pro voortvloeiende aanspraak van de nabestaanden jegens de Staat op informatie (kan) komen te staan tegenover een uit art. 2 EVRM Pro voortvloeiende aanspraak van de verdachte en zijn familie op bescherming van hun recht op leven’. Het hof weegt de belangen van de nabestaanden in de onderhavige zaak af tegen ‘het belang van het zoveel mogelijk waarborgen van de veiligheid van de verdachten en hun gezinnen’. Al met al ligt in art. 2 EVRM Pro, bij de huidige stand van de rechtspraak van het EHRM, naar het mij voorkomt niet het recht besloten om in een geval als het onderhavige voorafgaand aan of tijdens het strafproces op de hoogte te worden gebracht met de identiteit van de verdachte.
fair hearingstelt.
‘litigants’ziet tegen ‘
the secret administration of justice with no public scrutiny’. Het EHRM legt een verband met de bredere eis van een
fair trial: ‘
By rendering the administration of justice transparent, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial’. [11] In de onderhavige strafzaak heeft de verdachte gemotiveerd verzocht om het afschermen van zijn identiteit. Daar komt bij dat, zoals het hof heeft overwogen, het ontnemen van rechtstreeks zicht op beide verdachten en toepassing van stemvervorming ‘niet in meer of mindere mate op één lijn te stellen (is) met een behandeling achter gesloten deuren of op een locatie waartoe het publiek geen toegang heeft’.
NJ2001/499 m.nt. Schalken, rov. 3.7 overwogen ‘dat een verdachte te wiens laste een rechterlijke beslissing is gewezen waarin hij op andere wijze dan bij name is aangeduid, geen rechtsmiddel tegen een einduitspraak kan aanwenden anders dan onder bekendmaking van zijn persoonsgegevens’.
NJ2019/337 m.nt. Vellinga heeft Uw Raad evenwel een uitzondering op deze regel aanvaard. Dit arrest houdt inzake de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de volgende overwegingen in:
Verdachte is opgeroepen onder nummer vanwege zijn functie bij het Aanhoudings- en OndersteuningsTeam Zuid (hierna: AOT Zuid ). Net als ter terechtzitting in eerste aanleg is gebeurd, zal het hof ter bescherming van de identiteit en de veiligheid van de verdachte eerst vragen aan verdachte zelf stellen om de antwoorden op die vragen vervolgens te verifiëren bij getuige [betrokkene 1] .
Openbaarheid van die gegevens maken leden van AOT's vatbaar voor represailles en levert een afbreukrisico op voor betrokkene en levert veiligheidsproblemen op voor overige leden van het team en voor burgers. Om deze zwaarwegende redenen maken leden van AOT’s hun processen-verbaal op onder een codenummer. (...)"
Korte uiteenzetting van de feiten
eerste fase),kan niet met zekerheid worden vastgesteld. DH01 weet niet hoe lang dat was, maar minuten lijkt hem wel erg lang. Volgens DH02 was dit misschien enkele minuten. Voor zover de worsteling wel op de beelden te zien is (verder: de
tweede fase), duurde deze ongeveer één minuut en vijftien seconden. Uit de beelden kan worden afgeleid dat het verzet van [slachtoffer] tot het einde van worsteling lijkt voort te duren.
eerste fase.Bestudering van de beelden (de
tweede fase)leert dat daarop niet te zien is dat DH02 [slachtoffer] in het gelaat slaat of stompt en evenmin dat hij pepperspray bij [slachtoffer] in het gezicht wrijft. Dat past dus bij hetgeen DH02 heeft verklaard over het moment dat hij deze handelingen verrichtte. Het dossier bevat geen verklaringen van derden (politiefunctionarissen of burgergetuigen) die aanleiding geven om te twijfelen aan hetgeen DH02 heeft verklaard over het moment waarop hij [slachtoffer] in het gezicht heeft geslagen of gestompt en pepperspray heeft gebruikt. Het hof gaat er dus van uit dat een en ander heeft plaatsgevonden in de
eerste fasevan de aanhouding. Het vaststellen van het bedoelde moment is van belang omdat de proportionaliteit en subsidiariteit van de omschreven handelingen moet worden beoordeeld naar de situatie op dat moment. De uitkomst van die beoordeling kan niet afhankelijk zijn van eventuele gebeurtenissen nadien.
hoofdvan [slachtoffer] had omklemd of dat inmiddels sprake was van een omklemming van de
nek, kan niet met zekerheid worden gezegd. DH02 heeft verklaard dat DH01 op dat moment probeerde controle te krijgen over het hoofd van [slachtoffer] . Volgens DH01 was er op dat moment slechts sprake van een
hoofdklem. Daar staat tegenover dat diverse getuigen hebben verklaard dat de arm van DH01 om de
nekvan [slachtoffer] zat, zij het dat niet steeds expliciet is aangegeven vanaf welk moment in de worsteling zij dat precies hebben gezien. Wat daar ook van zij, het hof stelt vast dat de beide genoemde geweldshandelingen van DH02 hebben plaatsgevonden in de
eerste fasevan de worsteling op een moment dat DH01 het hoofd of de nek van [slachtoffer] omklemd had teneinde hem onder controle te krijgen. Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat de feitelijke situatie op dát moment zo was dat ieder verder geweld op het hoofd van [slachtoffer] zonder meer als buitenproportioneel zou moeten worden aangemerkt.
controletechniek. In dat geval kan de arm om de achterkant of zijkant van de nek worden geslagen waarmee als het ware het hoofd onder de arm wordt genomen. Daarmee wordt de bewegingsvrijheid van het hoofd, en daarmee van de gehele persoon, ingeperkt. Door het hoofd naar beneden te trekken, dwingt de uitvoerder de betrokkene naar de grond. Dit is een elementaire worsteltechniek.
verwurgingstechniek, waarbij sprake is van twee typen verwurging: bloedverwurging en luchtverwurging. Als één van de halsslagaders die zich aan beide zijkanten van de hals bevinden wordt afgekneld, vindt er een
bloedverwurgingplaats. Er stroomt dan minder bloed naar de hersenen. De uitvoerder kan van achteren met de arm de voorkant van de nek van de betrokkene omvatten. Wanneer deze omvatting zodanig wordt uitgevoerd dat met onder- en bovenarm in een soort V-vorm beide halsslagaders worden dichtgeknepen, wordt de bloedtoevoer naar het hoofd bijna geheel gestremd. Als dat gebeurt in het kader van een aanhouding met verzet, verliest de betrokkene daardoor na drie tot vijf seconden het bewustzijn, wat de mogelijkheid geeft over te gaan tot het boeien van de handen.
luchtverwurging.
tweede fasevan de worsteling. Het hof heeft, gelijk de, rechtbank heeft gedaan, geconstateerd (voor zover voor het thans besproken onderwerp van belang) dat daarop het volgende valt waar te nemen:
Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, bij leven ontstaan door inwerking van mechanisch samendrukkend geweld op de hals.
D. Botterhoudt onder meer het volgende in:
bedoeld wordt: met druk op de halsslagaders, hof) was. Omdat er sprake was van een worsteling, kan niet worden uitgesloten dat er tevens momenten waren dat de nekklem overging in een type "chokehold" (
bedoeld wordt: met druk op de luchtpijp, strottenhoofd en dergelijke, hof). De uitgebreide letsels aan en bij het strottenhoofd van het slachtoffer kunnen beter verklaard worden door een "chokehold" dan door een "carotid sleeper".
Dr. Mr. C. Das, forensisch arts, houdt onder meer het volgende in:
eerste fasevan de aanhouding (die begon rond 22.03.30 uur) tot aan het staken van het verzet bij [slachtoffer] die nekklem heeft toegepast. Het geconstateerde letsel aan de hals kan ook niet door iets anders dan door die nekklem zijn veroorzaakt, nu de zojuist geciteerde medisch deskundigen dat aannemelijk vinden en een andere oorzaak voor dat letsel niet is gebleken. Ook dat wijst op een nekklem, en wel één die mogelijk is begonnen als een poging tot bloedverwurging, maar uiteindelijk is uitgelopen op een klem die druk heeft uitgeoefend op de luchtpijp en het strottenhoofd.
eerste fasevan de aanhouding is aangevangen en dat deze tot het einde van de worsteling heeft geduurd, en blijkens de beelden in elk geval in de hiervoor aangeduide
tweede fasevan de worsteling met onmiskenbare kracht.
Dr. V. Soerdjbalie-Maikoe, arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: het NFI), staat vermeld dat onder meer als letsel is waargenomen dat in het midden van de hals van [slachtoffer] inwendig een bloeduitstorting zat en dat links laag aan de hals met de overgang naar de sleutelbeenregio een rode huidverkleuring van zeven centimeter bij anderhalve centimeter zichtbaar was met inwendig ook een bloeduitstorting.
‘Rapportage aanvullend onderzoek door forensisch patholoog NFI’van 3 oktober 2017 vermeldt
Soerdjbalie-Maikoedat de dood bij [slachtoffer] is ingetreden door zuurstofgebrek. Volgens haar zijn er één of meerdere oorzaken voor dat zuurstofgebrek aan te wijzen, namelijk in de eerste plaats het geweld op de hals, waardoor zuurstoftekort en beschadiging in de hersenen is opgetreden met een verstoring van de hartactie tot gevolg. In de tweede plaats de houdingsverstikking door geweld op de borstkas. Als derde en laatste oorzaak is nieuw toegevoegd de opwindingstoestand, zoals een agitatie/excited deliriumsyndroom of restraint asphyxia, waardoor een hoge stresshormoonspiegel ontstaat en daardoor de hartfunctie verstoord kan raken met als gevolg zuurstoftekort in de hersenen. Verder vermeldt zij dat het niet mogelijk is om het afzonderlijke effect van de drie oorzaken en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen.
Soerdjbalie-Maikoehaar standpunt nader aangevuld en toegelicht, en wel als volgt. Zij staat nog steeds achter haar conclusie uit het sectierapport met aanvulling van punt drie: de opwindingstoestand. Zij heeft er echter bewust voor gekozen om de opwindingstoestand als derde punt te vermelden omdat de andere twee mogelijke doodsoorzaken volgens haar meer voor de hand liggen gezien het aangetroffen letsel. Het is volgens haar niet mogelijk de afzonderlijke effecten van de drie mogelijke doodsoorzaken aan te geven, omdat je die effecten niet kunt meten aan het lichaam. De opwindingstoestand is overigens een diagnose die pas aan bod komt als er een negatieve autopsie is. Dat wil zeggen als er geen (andere) doodsoorzaak kan worden vastgesteld, zoals ook bij de aangehaalde zaken uit de literatuur. In de onderhavige zaak is volgens
Soerdjbalie-Maikoewèl een duidelijke, niet natuurlijke, doodsoorzaak gevonden, zodat men aan de laatste diagnose niet meer toekomt.
Soerdjbalie-Maikoede tijdsduur van het samensnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals niet relevant. Door dit geweld op de hals kan er daarnaast ook een prikkeling van de bloeddruksensoren, die zich in de hals bevinden, plaatsvinden met als gevolg een hartritmestoornis die kan leiden tot een hartstilstand. Naast dit geweld op de hals kan het overige geweld op het lichaam van [slachtoffer] ook stress verhogend hebben gewerkt en een medeoorzaak zijn voor het overlijden.
Soerdjbalie-Maikoestelt op basis van haar praktijkervaring dat, als zij dit in kansen zou moeten uitdrukken, het intreden van de dood bij [slachtoffer] vele malen waarschijnlijker is bij de hypothese dat het overlijden is veroorzaakt door het geweld op de hals al dan niet in combinatie met de positionele asfyxie tegen de romp dan bij de hypothese dat het overlijden is veroorzaakt door het acuut stress syndroom. Zij benadrukt dat deze uitspraak niet is gebaseerd op een wetenschappelijke onderbouwing.
Soerdjbalie-Maikoegeen aanleiding om haar conclusie te wijzigen.
C. Das, voormalig forensisch arts bij GGD Amsterdam, over het rapport van
D. Botter, forensisch arts KNMG bij het NFI, en over het rapport van
drs. P.M.I. van Driessche, arts en forensisch patholoog. Alle drie de deskundigen komen in de kern tot dezelfde conclusie wat betreft de doodsoorzaak van [slachtoffer] . Volgens hen vertoont de onderhavige zaak, gebaseerd op het incident tussen [slachtoffer] en de politie, de medische bevindingen bij [slachtoffer] en zijn overlijden, vrijwel alle typische kenmerken van een acuut stress syndroom. Deze diagnose wordt gesteld op grond van het klassieke verloop daarvan en de afwezigheid van een andere aantoonbare oorzaak van overlijden. Steunbewijs voor deze diagnose is het vaak voorkomen van een lage zuurgraad en een hoog lactaatgehalte van het bloed. Deze afwijkende waarden zijn in het HagaZiekenhuis ook vastgesteld bij [slachtoffer] .
Das,
Botteren
Van Driesscheconcluderen dat de geconstateerde letsels in de hals weliswaar passen bij geweld op de hals als gevolg van samendrukkend dan wel samensnoerend geweld op de hals, maar dat gelet op het verloop van het incident en de duur van de toepassing van het geweld, het overlijden hierdoor niet zonder meer kan worden verklaard. Onomkeerbare hersenschade ontstaat immers pas na ongeveer vier à vijf minuten van volledige en onafgebroken blokkering van de halsslagaders. Wanneer de halsslagaders volledig worden dichtgedrukt, treedt vrijwel onmiddellijk bewusteloosheid in. Deze situatie heeft volgens deze drie deskundigen niet plaatsgevonden nu [slachtoffer] tot aan het einde van de ongeveer twee minuten durende worsteling actief verzet heeft gepleegd. Hieruit concluderen zij dat [slachtoffer] in die periode bij bewustzijn was, zodat kan worden gesteld dat de halsslagaders gedurende die minuten niet volledig waren dichtgedrukt.
Bottervermeldt nog dat, gelet op het ondergane geweld en de omvang van de letsels, het geweld op de hals wel een bijdrage aan het overlijden kan hebben geleverd. Dit geweld kan volgens Botter uitsluitend hebben bestaan uit de toepassing van een krachtige nekklem en mogelijk deels ook door het samendrukken van de hals tegen de grond door druk met een knie op de nek terwijl het hoofd op de grond rustte.
Dasformuleert het voorzichtiger en stelt dat de aangelegde nekklem de meest waarschijnlijke oorzaak is voor de aangetroffen letsels in de hals.
Van Driesscheconcludeert dat het geweld op de hals niet heeft geleid tot verstikking op ademhalingsniveau of halsvatenniveau, maar dat het geweld op de hals, samen met andere factoren, mogelijk heeft bijgedragen tot het ontstaan van een forse lichamelijke reactie met als gevolg een fataal verlopende hartritmestoornis.
Daszijn standpunt nader toegelicht, en wel als volgt.
Dasniet. Wanneer iemand bij bewustzijn is, is er voldoende zuurstof. Dat levert geen aantoonbare pathologische schade op. Op het moment dat iemand acuut bewusteloos raakt, is dat het gevolg van het plots stilvallen van het hart en niet door opgelopen schade aan de hersencellen. Er was dus eerst sprake van een hartstilstand waardoor [slachtoffer] bewusteloos is geraakt en er onvoldoende hartcirculatie was. Daarna is de zuurstofschade en weefselschade ontstaan. De kans is heel klein dat [slachtoffer] zonder de aanhouding op datzelfde moment een fatale hartritmestoornis zou hebben gekregen. Zonder het geweld op de hals bij [slachtoffer] kan het acuut stress syndroom ook hebben plaatsgevonden.
Dasniet waarschijnlijk. De ter terechtzitting getoonde scherpere beelden van de aanhouding geven
Dasgeen aanleiding om zijn conclusie aan te passen.
Dasniet terug op zijn eerdere conclusies. Hij licht wel toe dat de term "acuut stress syndroom" geen gangbare terminologie is, maar dat beter gesproken kan worden van "restraint asphyxia" dan wel "excited delirium syndrome" (EDS ofwel geagiteerd delier). Hij stelt nog eens dat EDS (volgens
Dashier overigens niet aan de orde) of restraint asphyxia met een fatale hartstilstand (asystolie) vooral optreedt door het heftige fysieke verzet van een persoon tegen een overmacht aan agenten/beveiligers, die deze persoon in bedwang proberen te houden. Cardiale decompensatie ("het hart begeeft het") is de kern van de zaak. Geweld op de hals (al of niet ten gevolge van een nekklem) is beslist geen noodzakelijke voorwaarde.
Botterzijn standpunt nader toegelicht, en wel als volgt. De diagnose acuut stress syndroom is gebaseerd op het totale verloop van het incident samen met de bevindingen van de sectie. Hij concludeert dat [slachtoffer] vrijwel tot het einde van de worsteling bewust heeft gehandeld. [slachtoffer] vertoonde actief spierverzet bij het zich ontdoen van de agenten. Dat lijkt niet op verstikking. Er moet voldoende doorstroming van de hersenen zijn om die handelingen te kunnen uitvoeren.
Botterschrijft het overlijden van [slachtoffer] niet toe aan het geweld op de hals. Het geweld op de hals heeft tot gevolg dat er verstikkingsverschijnselen en angst ontstaan wat het stressniveau doet stijgen en dat is wel van invloed op het escaleren van het acuut stress syndroom. Zonder het geweld op de hals bij [slachtoffer] kan het acuut stress syndroom zich echter ook hebben voorgedaan.
Bottergeen aanleiding om zijn eerdere conclusies te herzien, omdat de tijdsduur niet is beïnvloed. Het geweld op de hals heeft ongeveer twee minuten geduurd en onomkeerbare hersencelschade ontstaat pas na vier à vijf minuten afsluiting van de bloedtoevoer naar de hersenen.
Botterniet terug op zijn eerdere conclusies. Hij licht toe dat onder de door hem gebruikte term "acuut stress syndroom" moet worden verstaan de "restraint stress" en het "excited delirium". In de onderhavige casus is volgens
Bottergeen onderscheid te maken welke van beide een rol heeft gespeeld. Hij blijft bij zijn standpunt dat het stresssyndroom kan zijn ontstaan als er geen geweld op de hals was toegepast. Hij stelt voorts dat het wel aannemelijk is dat de uitoefening van geweld op de hals het stressniveau bij [slachtoffer] heeft doen stijgen en dat dit in dat kader invloed zal hebben gehad op de ontwikkeling van het stresssyndroom.
Van Driesscheheeft in opdracht van het hof nader gerapporteerd. Ook hij blijft zijn eerder ingenomen standpunt. Hij licht ten aanzien van de gebruikte terminologie "acuut stress syndroom" toe dat wat hij daarmee bedoelt ook aangeduid kan worden met de term "stress-gerelateerd overlijden" of "stress-hypothese". Hij stelt nogmaals dat "being restrained" stress kan oproepen die op zich al dodelijk kan verlopen zonder verwurging/verstikking. Er zijn tekenen passend bij geweldsuitoefening op de hals. De tekenen die door anderen aangehaald worden als passend bij of zelfs bewijzend voor verstikking kunnen ook andere oorzaken hebben (waaronder acuut hartfalen bij een hartritmestoornis) . Het geweld aan de hals kan zeer wel mogelijk (doch ook niet noodzakelijk) hebben meegespeeld, echter volgens
Van Driesscheheeft dit geweld niet via verwurging/verstikking geleid tot het overlijden doch is het geweld een medefactor geweest binnen de stress-hypothese.
Prof. Dr. W. Jacobs, als forensisch patholoog verbonden aan het Centrum voor Gerechtelijke Geneeskunde van de Universiteit te Antwerpen, heeft in de onderhavige zaak eveneens gerapporteerd. Hij concludeert dat de letsels in de hals, in combinatie met de stuwingstekens in het gelaat, het gevolg zijn van samendrukkend geweld tegen de hals (zoals de armgreep). Gezien de gebruikte fixatietechnieken en de vastgestelde (diepe) bloeduitstortingen ter hoogte van de rug is het bovendien mogelijk dat er sprake is geweest van mechanische belemmering van de ademhalingsbewegingen. Beide factoren kunnen de verstikkingseffecten verklaren die uiteindelijk hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden van [slachtoffer] . Bij het vorenstaande is een opwindingstoestand te verwachten, niet noodzakelijk met doodsoorzakelijke relevantie en die niet los kan worden gezien van de significante (en zonder meer beangstigende) samendrukkende geweldpleging tegen de hals. De physical restraint (in bedwang houden in buikligging) en de agitatie, het verzet, de zwaarlijvigheid en de alcoholintoxicatie van [slachtoffer] kunnen (in combinatie) een bevorderende maar geen doorslaggevende rol hebben gespeeld in het ontstaan van de hartstilstand (asystolie). Ze zijn niet het primum movens dat geleid heeft tot de fatale afloop. Onomkeerbare hersenbeschadiging kan in veel kortere tijd dan na vier à vijf minuten afsluiting van de halsslagaders optreden en binnen de observatie in casu van minimaal 76 seconden (zie beeldmateriaal). Het tijdsverloop daarna voordat met reanimatie is gestart, zal geen gunstige invloed gehad hebben op de hersenbeschadiging. Het is niet mogelijk om het afzonderlijke effect van de diverse geweldsinwerkingen en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen.
R. Baakis als cardioloog-intensivist verbonden aan het HagaZiekenhuis te Den Haag. Hij heeft [slachtoffer] bij diens aankomst in het ziekenhuis gezien en was zijn hoofdbehandelaar. In zijn ongedateerd schrijven aan mr. Korver deelt Baak als zijn opinie mede dat het overlijden alleen op basis van verhoogde catecholaminen bij stress uiterst onwaarschijnlijk is, temeer omdat er geen sprake was van coronaire insuffiëntie of een cardiomyopathie en de echo van het hart een normale linkerventrikelfunctie liet zien. De diagnose geagiteerd delier is in dit geval zeer onwaarschijnlijk. [slachtoffer] is overleden door een hartstilstand veroorzaakt door zuurstoftekort van het myocard veroorzaakt door een verminderd zuurstofaanbod bij minimaal een deels afgesloten luchtweg en een bemoeilijkte ademhaling.
Soerdjbalie-Maikoewijst in dit verband in de eerste plaats op het geweld op de hals, waardoor zuurstoftekort en beschadiging in de hersenen is opgetreden met een verstoring van de hartactie tot gevolg. In de tweede plaats wijst zij op de houdingsverstikking door geweld op de borstkas. Als derde en laatste oorzaak noemt zij de opwindingstoestand, zoals een agitatie/excited deliriumsyndroom of restraint asphyxia, waardoor een hoge stresshormoonspiegel ontstaat en daardoor de hartfunctie verstoord kan raken met als gevolg zuurstoftekort in de hersenen. Het is in haar visie niet mogelijk om het afzonderlijke effect van de drie oorzaken en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen.
Das,
Botteren
Van Driesscheconcluderen dat, gelet op het verloop van het incident en de duur van de geweldstoepassing, het geweld op de hals het overlijden niet zonder meer kan verklaren, nu de halsslagaders gedurende de minuten durende worsteling niet volledig waren dichtgedrukt. Het overlijden moet volgens hen worden toegeschreven aan opgelopen stress die heeft geleid tot een fataal verlopende hartritmestoornis.
Jacobsconcludeert dat er sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals en mogelijk mechanische belemmering van de ademhalingsbewegingen op het lichaam. Beide factoren kunnen de verstikkingseffecten verklaren die hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden. De te verwachten opwindingstoestand kan wel een bevorderende maar geen doorslaggevende rol gespeeld hebben.
Baakconcludeert dat een hartstilstand is veroorzaakt door zuurstoftekort van het myocard veroorzaakt door een verminderd zuurstofaanbod bij minimaal een deels afgesloten luchtweg en een bemoeilijkte ademhaling.
Conclusie:
Das,
Botteren
Van Driesscheomschreven stresshypothese wordt door het hof niet gevolgd. Naar het oordeel van het hof kan niet zomaar voorbijgegaan worden aan de door de deskundige
Soerdjbalie-Maikoeonderbouwde benadering dat meerdere oorzaken voor het zuurstoftekort zijn aan te wijzen, te weten allereerst het geweld op de hals, vervolgens houdingsverstikking door geweld op de borstkas, en tenslotte de opwindingstoestand, de acute stress, waarbij het niet mogelijk is het afzonderlijke effect van elk van deze oorzaken en hun aandeel aan het zuurstoftekort of hun aandeel aan het overlijden vast te stellen. Naar het oordeel van het hof, en het hof volgt daarin de conclusie van de rechtbank, is een combinatie van factoren zeer wel mogelijk en zelfs waarschijnlijk.
Soerdjbalie-Maikoedat [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van doorgemaakt zuurstofgebrek. Voor dit gebrek zijn één of meerdere oorzaken aan te wijzen, kort gezegd: het samendrukkend geweld op de hals, de positionele asfyxie door geweld op de borstkas, en de opwindingstoestand. Het is niet mogelijk het afzonderlijke effect van de diverse geweldsinwerkingen en hun aandeel aan het zuurstofgebrek te onderscheiden of om hieraan een relatief aandeel in het overlijden toe te kennen.
Jacobskunnen de letsels als gevolg van het geweld op de hals (naast de mogelijke andere belemmeringen van de ademhalingsbewegingen) de verstikkingseffecten verklaren die uiteindelijk hebben geleid tot de hartstilstand en het overlijden van [slachtoffer] . Hierbij is ook een toestand van opwinding te verwachten, die niet los valt te zien van het geweld op de hals.
Das,
Botteren
Van Driesscheheeft de worsteling bij [slachtoffer] geleid tot stress met een fataal verloop. Het geweld op de hals kan bij de ontwikkeling van de stress van invloed zijn geweest doordat dit geweld het stressniveau heeft doen stijgen. Stress kan tot gevolg hebben dat het adrenalinegehalte stijgt tot een giftig niveau.
Soerdjbalie-Maikoe, in zoverre bevestigd door
Jacobs, en ten aanzien van de ontstane stress bevestigd door de andere deskundigen, brengen het hof tot de conclusie dat de omklemming van de nek een onmisbare schakel is geweest in de gebeurtenissen die geleid hebben tot het overlijden van [slachtoffer] .
Soerdjbalie-Maikoekan worden afgeleid dat in haar visie het overlijden van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de tijdens de worsteling toegepaste omklemming van de nek.
Jacobsgeeft ondersteuning aan deze conclusie.
Das,
Botteren
Van Driesschekan worden afgeleid dat in hun visie de worsteling en het toegepaste geweld een toestand van grote opwinding (stress) teweeg hebben gebracht, uiteindelijk leidend tot een fataal verlopende hartritmestoornis. De omklemming van de nek heeft daaraan bijgedragen. Het hof stelt in dit verband vast dat uit alles blijkt dat de omklemming van de nek/hals van de diverse toegepaste geweldshandelingen veruit de hevigste en ingrijpendste was. Uit de mededelingen van de genoemde deskundigen kan voorts worden afgeleid dat er geen aanleiding was te veronderstellen dat bij [slachtoffer] een hartstilstand zou zijn opgetreden indien de onderhavige worsteling waarbij een omklemming van de nek/hals is toegepast, niet zou hebben plaatsgevonden. Een mogelijke andere doodsoorzaak is ook niet gevonden.
primairen
subsidiairten laste gelegde (medeplegen doodslag en medeplegen zware mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) is vereist dat de verdachte DH01 opzet heeft gehad op de dood respectievelijk het zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel).
meer subsidiairten laste gelegde (mishandeling, de dood ten gevolge hebbend) wettig en overtuigend bewezen.
eerstemiddel klaagt dat de oordelen van het hof met betrekking tot (a) het opzet van de verdachte en (b) de wederrechtelijkheid van het handelen van de verdachte blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend zijn gemotiveerd, terwijl te dien aanzien gevoerde verweren door het hof ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden zijn verworpen. Voorts zou de bewezenverklaring, voor zover zij inhoudt dat de verdachte [slachtoffer] heeft mishandeld, berusten op een verkeerde uitleg van het begrip mishandeling, althans niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.
vuurwapenhad en terwijl hij dat riep, greep hij naar zijn broeksband.
fysiekde man tegemoet en stond uiteindelijk vóór de verdachte, plaatste zijn handen achter zijn hoofd, in zijn nek, en bracht hem door een balans verstorende techniek (met behulp van anderen) naar de grond.
opzetdelicten.
gedurende enige tijd de nek/hals heeft afgeklemd. Heeft hij hiermee bewust een aanmerkelijke kans aanvaard op de gevolgen zoals hiervoor genoemd? Nee, want:
aanmerkelijk,
bewustvan en
aanvaarddoor eventuele gevolgen ‘op de koop toe te nemen’.
als controletechniek is het effectief envrijwel zonder risico. Ondanks dat tevens wordt geconstateerd dat de lijn tussen controle en verwurging in de praktijk dun is en de controletechniek
bedoeldmaar ook
onbedoeldkan overgaan in een verwurgingstechniek, en aan die laatste variant wel risico’s zijn verbonden concludeert de Inspectie dat het verbieden van de controletechniek niet op zijn plaats is.
pijnprikkel. De controletechniek heeft als doel om de verdachte door middel van het hoofd te kunnen sturen en de verwurgingsvariant is bedoeld om het bewustzijn van de verdachte korte tijd weg te nemen.
risico ’saan verbonden zijn, maar een nadere onderbouwing hiervoor ontbreekt. Het Canadese rapport waar België de politietraining op heeft gebaseerd, geeft uiteenlopende standpunten weer van medici betreffende de risico’s van de verwurgingstechniek. Maar allen geven aan dat in de praktijk de toepassing van de verwurging (zowel de luchtpijp- als de bloedvariant) vrijwel nooit tot ernstige gevolgen leidt. Indien er sprake is van overlijden van een arrestant waarbij een nekklem is toegepast, is er vaak ook sprake, zo wordt onderbouwd, van een
opwindingsdelier, waarbij ook overlijden zou zijn ingetreden
zondertoepassing van de nekklem.
eenvoudige mishandeling. Het letsel dat het gevolg kan zijn van een verkeerde, technisch onjuist uitgevoerde, nekklem al dan niet als verwurging toegepast, is beschadiging van het strottenhoofd. Dát is het onderkende risico van de techniek; niet de dood of ernstig hersenletsel.
aanvallendeen verwurging toepast of waarbij nog lang wordt aangezet na verlies van bewustzijn of wordt doorgegaan terwijl duidelijke tekenen zijn van verstikking of waarbij de verdachte nog meer geweld toepaste.
aanmerkelijkrisico op hersenletsel dan wel overlijden met zich heeft gebracht. Dit is ook conform de rechtspraak.
passenden
gebodenzijn. Op het moment dat iemand verslapt of meewerkt, is de geweldstoepassing niet meer noodzakelijk om de verdachte onder controle te brengen en moet deze reeds om die reden worden afgebroken.
eigenhandelingen van verdachte, schade aan de keel ontstaat.
FCCB in meertallen), is er bijzondere aandacht voor de mogelijke gevolgen van de nekklem en wordt er aandacht gevraagd voor de eerder besproken variant waarbij de arm gedeeltelijk over de kaaklijn loopt. Maar ook is er aandacht voor het fenomeen en de signalen van een opwindingsdelier. Allemaal als
gevolgvan deze zaak, maar daarvan was dus nog geen sprake toen cliënt zijn opleiding en training genoot. Niet voor niets is immers de opleiding nu aangepast. Uit de nieuwsuitzending van RTLnieuws van 29 oktober 2016 wordt over deze nieuwe training aangeven
“in de aangepaste opleiding beter wordt geïnstrueerd met betrekking tot de gevaren”.
(met kracht) gedurende enige tijd afklemmen van de hals/nekdan is de controletechniek
onbedoeldovergegaan in een verwurgingstechniek en is geen sprake (ook niet in voorwaardelijke vorm) van opzet.
aanmerkelijkis geweest en dat cliënt zich hiervan
bewustmoet zijn geweest, dan volgt behalve uit de verklaringen van cliënt ook zonder meer uit de uiterlijke verschijningsvormen van zijn handelingen dat cliënt deze gevolgen of de aanmerkelijke kans erop, geenszins heeft aanvaard.
bewusttoegepast door de agressor en had het slachtoffer geen mogelijkheden om het geweld te doen stoppen. Cliënt heeft (anders dan in die zaken)
nietgehandeld uit woede, hij is
nietdoorgegaan terwijl er signalen waren dat het niet goed ging of toen reeds controle was.
“Handen laten zien, handen naar de rug, meewerken, rustig blijven, dan is het over, dan stopt het geweld. ”
het onder controle brengenen niet het toebrengen van pijn en/of letsel. Ondanks overigens dat
aanmerkelijk onvoorzichtig, maar niet als opzet op het toebrengen van pijn en/of letsel.
controleover de verdachte te krijgen ter ondersteuning van een rechtmatige aanhouding. Er is geen enkele omstandigheid waaruit volgt dat cliënt hiermee een aanmerkelijke kans op overlijden dan wel toebrengen van hersenletsel of eenvoudig letsel dan wel pijn heeft aanvaard.
V. Rechtmatig politiegeweld
Rechtmatig politiegewelden pleidooi in de zaak tegen DH02,
opgenomen in de pleitnota onder III en IV.). Indien U niet instemt met verwijzing, zal ik deze teksten integraal voordragen.
fysiekgeweld toegepast. Fysiek geweld staat onderaan de geweldsladder. Het geweld zoals door cliënt toegepast is aan hem uitgeleerd en getraind door de Politie. Aan dit geweld zijn geen andere voorwaarden verbonden dan (algemeen) gesteld door de ambtsinstructie. De bepaling aangehaald namens de nabestaanden (pagina 62 van de pleitnota van mrs. Korver en Lousberg), ziet op toepassing van gewelds
middelen, waartoe toepassing van fysiek geweld niet behoort.
onrechtmatig handelen van anderen.
in de hitte van de strijd. Tot zover kan de verdediging zich dus verenigen met het oordeel van de rechtbank.
absolute voorwaardenverbonden, die noch blijken uit de ambtsinstructie, noch uit de opleiding en training van cliënt en evenmin uit de verklaringen van de IBT-deskundigen. Het is de verdediging dan ook niet duidelijk waar de rechtbank deze voorwaarden op baseert.
hoofdcontroletechniek.
alleengebruik zou kunnen worden gemaakt van deze variant bij noodweer, zoals gesteld namens de nabestaanden, wordt reeds weersproken door het onderzoeksrapport.
proportioneelen
subsidiairgeweld en derhalve als
rechtmatig politieoptreden. Waardoor wegens een beroep op artikel 42 Sr Pro, de tenlastegelegde feiten niet kunnen worden bewezen en vrijspraak dient te volgen.
opzettelijk wederrechtelijkhandelen.
haalbaarheidvan de vervolging
volwaardig(en dus niet marginaal) toetst.
opzettelijk wederrechtelijkzou hebben gehandeld volgt geenszins uit het dossier. Uit het door hem aanroepen van de verdachte en het onmiddellijk loslaten na controle volgt het tegendeel.
face-to-facetegenover elkaar. [slachtoffer] belandde, mede dankzij de hulp van de collega's DH02 en [verbalisant 1] , op de grond. Toen kon ik mijzelf op [slachtoffer] positioneren zodat zijn bewegingsruimte werd verkleind. Ik ben daarna overgegaan tot toepassing van - wat later bleek - een hoofdklem.
aanleggenen
aanzetten. Aanleggen houdt in het omvatten van de nek/hals met het doel de verdachte onder controle te krijgen dan wel vast te houden. Aanzetten houdt in het met meer dan geringe kracht omvatten van de nek/hals met het doel de verdachte dusdanig uit balans te brengen dat een black-out ontstaat. Aanleggen gaat met minder kracht gepaard dan aanzetten. Bij het aanzetten van een nekklem zit één arm in een V-vorm om de nek/hals, en wordt met de andere arm aangetrokken waardoor kracht op de nek/hals ontstaat. Afsnijding van de bloedtoevoer kan hiervan het gevolg zijn. Als een nekklem niet leidt tot blokkering van de bloedtoevoer, maar wel zodanig strak wordt aangetrokken dat de nek/hals niet kan bewegen, zou je kunnen spreken van een controleklem.
mishandeling”beheerscht door dezelfde gedachte: dat het niet voldoende is dat men opzettelijk leed doet, maar daarenboven een vereischte dat dit leed
doelwas. Dit wordt dan ook reeds in het spraakgebruik van het dagelijksch leven erkend. Wie zijn kind kastijdt of, als chirurgijn, iemand eene operatie doet ondergaan, veroorzaakt opzettelijk leed, maar wordt, daar leed daarbij geen
doel,maar
middelis voor een rationeel doel, niet gezegd te mishandelen.’
NJ2011/466 m.nt. Keijzer. Daaruit kan worden afgeleid dat aan de gedachte dat de arts die een operatie uitvoert zich niet schuldig maakt aan mishandeling, uitdrukking wordt gegeven door het toebrengen van pijn of letsel niet als mishandeling aan te merken indien daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. Voor zover het middel ervan uitgaat dat kwalificatie als mishandeling slechts mogelijk is ingeval het toebrengen van lichamelijk letsel of het veroorzaken van pijn het doel was (van de pleger) en niet een middel tot het bereiken van een ander geoorloofd doel, gaat het uit van een onjuiste rechtsopvatting. [26]
NJ2017/67 m.nt. Mevis. Daarin was het cassatieberoep aan de orde dat het OM had ingesteld tegen de vrijspraak van (onder meer) het als arts mishandelen van patiënten terwijl dat feit de dood ten gevolge had. Uw Raad overwoog in dat arrest dat het hof bij de beantwoording van de vraag of de verdachte opzettelijk had gehandeld, het juiste toetsingskader tot uitgangspunt had genomen. En dat het hof vervolgens de verklaring van de verdachte, inhoudende - kort gezegd - dat hij te goeder trouw had gehandeld en niet opzettelijk verkeerde diagnosen had gesteld, niet ongeloofwaardig had geacht en onder meer op grond van die verklaring had geoordeeld dat de verdachte ten tijde van zijn handelen niet bewust de aanmerkelijke kans op letsel (etc.) had aanvaard, zodat het tenlastegelegde opzet niet bewezen kon worden verklaard. Dat oordeel gaf volgens Uw Raad niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was, als met de aan het hof als feitenrechter voorbehouden waardering van het voorhanden bewijsmateriaal verweven oordeel ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
te goeder trouwhad gehandeld’ (middel, nr. 2.33). Wat de doorslag gaf, was dat ’s hofs oordeel dat de verdachte niet bewust de kans op letsel had aanvaard niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk was en toereikend was gemotiveerd. In de onderhavige zaak kan uit ’s hofs overweging inzake de ‘krachtig aangezette klem om de nek’ worden afgeleid dat de verdachte volgens het hof wel (voorwaardelijk) opzet op pijn en/of letsel had. De ‘intentie om het goede te doen’ waar het hof in de onderhavige zaak in de strafmotivering over spreekt, heeft betrekking op het bestaan van een rechtvaardigingsgrond. Die intentie kan van belang zijn in het kader van afwezigheid van alle schuld (zie daaromtrent het derde middel), maar staat niet aan bewezenverklaring van het voor mishandeling vereiste opzet in de weg.
te lang’ zou hebben geduurd. De steller van het middel wijst erop dat [slachtoffer] zich tot het eind van de worsteling bleef verzetten en daardoor niet onder controle gebracht en geboeid kon worden. Voorts zou het hof in het midden hebben gelaten hoe lang de handeling heeft geduurd en of de ademhaling en/of bloedtoevoer daarbij überhaupt onafgebroken werd belemmerd. Tegen deze achtergrond zou niet gezegd kunnen worden dat de verdachte de hem toekomende interpretatieruimte dusdanig onredelijk heeft ingevuld dat zijn handelen de proportionaliteitstoets niet kan doorstaan. Dat vier agenten rechtmatig bezig waren met het onder controle brengen van [slachtoffer] zou het voorgaande niet anders maken. Al met al zou de verwerping van het gevoerde rechtmatigheidsverweer niet begrijpelijk zijn en zou de bewezenverklaring voor zover inhoudend dat de verdachte [slachtoffer] heeft ‘
mishandeld’ niet begrijpelijk zijn en niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed.
belastzijn met opsporing’, en daarom ‘handelen in strijd met hun plicht als zij in voorkomende gevallen niet tot aanhouding overgaan’. [36] In het kader van de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel geweldsaanwending opsporingsambtenaar heeft de wetgever opgemerkt dat het ‘onder artikel 42 Sr Pro gaat om een wettelijk voorschrift dat rechtstreeks tot bepaald handelen verplicht of rechtigt’. [37] Het hof lijkt art. 3 Politiewet Pro 2012 te hebben aangemerkt als het wettelijk voorschrift ter uitvoering waarvan is gehandeld. [38] In ieder geval in de benadering van Knigge en Wolswijk ligt het in de rede art. 53 Sv Pro in samenhang met art. 141 Sv Pro als het wettelijk voorschrift aan te merken ter uitvoering waarvan is gehandeld. Die benadering sluit in zoverre aan op art. 2 EVRM Pro, dat dodelijk geweld in het kader van een aanhouding daarin afzonderlijk is genormeerd. [39]
officer who was required to react in the heat of the moment to avert an honestly perceived danger to his life’. Uit ‘s hofs vaststellingen volgt niet dat die situatie zich in de onderhavige zaak heeft voorgedaan. Uit de ‘Korte uiteenzetting van de feiten’ volgt dat [slachtoffer] ‘onder invloed van alcoholische drank’ was, en ‘onvast ter been’ (ov. 11). Hij riep ‘herhaaldelijk dat hij een (vuur)wapen had’ en ‘greep daarbij meerdere malen naar zijn kruis’. Betrokken agenten omschreven zijn gedrag als ‘agressief, bedreigend en provocerend’. [slachtoffer] gaf geen gevolg aan ‘meerdere verzoeken van de politie om te stoppen met het schreeuwen dat hij een vuurwapen had en om het festivalterrein te verlaten’. En hij trok zich los ‘van mensen, niet zijnde politieagenten, die hem naar de uitgang van het terrein probeerden te begeleiden’. Op een gegeven moment besloot de politie [slachtoffer] aan te houden (ov. 12). Als mogelijke grondslagen noemt het hof verdenking van ‘verstoring van de openbare orde of bedreiging’ (ov. 28). In ’s hofs vaststellingen ligt besloten dat het hof niet aannemelijk heeft geoordeeld dat de politieagenten ervan uitgingen dat [slachtoffer] daadwerkelijk een vuurwapen bij zich kon hebben en hem om die reden aanhielden.
eerste fasevan de aanhouding (…) tot aan het staken van het verzet bij [slachtoffer] die nekklem heeft toegepast’ (ov. 65), en ‘blijkens de beelden in elk geval in de hiervoor aangeduide
tweede fasevan de worsteling met onmiskenbare kracht’ (ov. 68).
tweedemiddel klaagt dat het oordeel van het hof met betrekking tot de causaliteit blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, terwijl het ter zake gevoerde verweer door het hof ten onrechte, althans op ontoereikende gronden is verworpen. Voorts zou de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen zijn omkleed voor zover zij behelst dat ‘het feit de dood ten gevolge heeft gehad’.
VI. Ontbreken causaal verband
De doodsoorzaaken hoofdstuk VI
Ontbreken van causaal verbandvoordragen, tenzij Uw Hof instemt met het als voorgedragen en herhaald/ingelast beschouwen van deze tekst en dat ook als zodanig op zal nemen in het proces-verbaal van de zitting.
konzijn van, zoals aanvankelijk gesteld in het sectieverslag, overlijden door verwurgend en verstikkend politiegeweld.
gecombineerden verklaringen van dr. Botter en dr. Das
gedenatureerdom zodoende een conditio-sine-qua-non-verband te kunnen vaststellen. Daar heeft zij mee volstaan, zonder nog te toetsen of naast dat minimumvereiste er ook sprake is van een
redelijke toerekening.
opmerkelijk.De verdediging kan die opmerkelijkheid alleen verklaren door de stukken die na het laatste woord zijn toegevoegd aan het dossier en de verontwaardiging die is ontstaan doordat enkele medici zich uitlieten over het al dan niet bestaan van de doodsoorzaak zoals zij die vernamen uit de media, vastgesteld door de in deze zaak aangewezen en rapporterende deskundigen.
niet aannemelijk.
luchttoevoerop niveau luchtpijp of strottenhoofd is onvoldoende tijd verstreken. Bovendien zou in dat geval sprake moeten zijn geweest van een geleidelijke verslapping (in plaats van het plotseling wegvallen). Evenmin is het aangetroffen letsel passend bij deze vorm van verwurging.
bloedtoevoeris evenmin passend bij tijdsverloop en het niet (minuten lang) volharden in het (volledig) afklemmen van de halsslagaders
náhet verlies van bewustzijn.
“De aangelegde nekklem heeft niet tot verstikkingsverschijnselen geleid.”
restraint asphyxiais de lichaamshouding normaal, maar draait het om het verzet tegen het in bedwang houden en de lichamelijke inspanning en de stress die daarmee gepaard gaan. Dit leidt niet tot verstikking maar tot een
(fatale) hartritmestoornis.De verschijnselen van restraint asphyxia zijn: oplopende agressie, grote fysieke inspanning, hoge afgifte van stresshormonen, hoge bloeddruk, snelle pols, mogelijk verhoogde lichaamstemperatuur, verzuring en uiteindelijk een hart- en circulatiestilstand. Deze verschijnselen zijn niet aan te tonen bij een gerechtelijke sectie en zonder kennis te dragen van de onderzoeksresultaten en overleg met een forensisch arts, tot wiens deskundigheid het interpreteren van deze verschijnselen hoort (namelijk de acute geneeskunde), is de kans zeer aanwezig dat de verkeerde conclusie ten aanzien van de doodsoorzaak wordt getrokken.
“Plotse dood tijdens arrestatie/in bedwang houden/hechtenis” in het Handboek Forensische Geneeskunde van prof. W. van de Voorde:
”vanwege zijn grote bijdrage aan de ontwikkeling en professionalisering van de forensische geneeskunde in Nederland”, met recht worden gezegd dat hij een van de meest gespecialiseerde artsen is op dit gebied.
niethet gevolg is geweest van verstikkend/verwurgend politiegeweld, alsook dat de
“insufficiënte doorbloeding van de hersenen en de navolgde verwikkelingen in de onderhavige casus vrijwel uitsluitend kunnen worden verklaard door hartfunctiestoornissen veroorzaakt door hartritmestoornis(sen).”
“opwindingstoestand (agitatie, delirium, excited deliriumsyndroom of restraint asphyxia) waardoor hoge stresshormoonspiegels en daardoor verstoring van de hartfunctie(hartritme) en zuurstoftekort in de hersenen.”
niet mogelijk is om het afzonderlijke effect van de diverse oorzaken voor het zuurstoftekort op het ontstaan van zuurstofgebrek en uiteindelijk overlijden te onderscheiden, of hier een aandeel toe te kennen in de vorm van het uitspreken van een waarschijnlijkheid.
aangehouden,hij waarschijnlijk ook niet zou zijn overleden, maar dat het
overlijden ook zou kunnen zijn ingetreden zonder het geweld op de hals.
deskundigte kwalificeren, heeft Uw Hof verzocht om al deze nieuwe stukken ter reactie voor te leggen aan dr. Das, dr. Botter en drs. Van Driessche.
wervelslagaders door middel van een nekklem.
geenblijvend hersenletsel op.
waarschijnlijkheidsdiagnosen,vaak bij uitsluiting, maar niet zonder evidente aanwijzingen daarvoor in de hoedanigheid van objectieve criteria (beloop incident, medische bevindingen, bevingen bij obductie, etc.).
aanwijzingenvoor een verstikkingsdood worden in deze zaak door de feiten weerlegd.
fysieke en psychische stress/opwinding.
“in casu voldoende redenen zijn om aan te nemen dat er sprake is geweest van een opwindingstoestand, al dan niet met doodsoorzakelijke relevantie.”Hij noemt hierbij de omstandigheden die mogelijk hebben bijgedragen aan de vrijzetting van stresshormonen (catecholaminen) en daardoor aan het overlijden (hartritmestoornissen).
(zie bijlage 4).
rechtmatig toegepastis aangemerkt. De vraag die in deze zaak voorligt is een andere, namelijk of het tenlastegelegde geweld - voor zover bewezenverklaard én onrechtmatig geacht - in causaal verband staat tot het overlijden (dan wel het zwaar lichamelijk letsel) van [slachtoffer] .
geweld aan de hals kan zeer wel mogelijk (doch niet noodzakelijk) meegespeeld hebben als medefactor binnen de stress-hypothese.
“U vraagt mij of het stresssyndroom ook zou zijn ontstaan als er geen geweld op de hals is toegepast. Dat kan zeker. De deskundige Das deelt desgevraagd mede dat hij het eens is met de deskundige Botter voor wat betreft de vraag of het stresssyndroom ook zou zijn ontstaan als er geen geweld op de hals is toegepast.”
“Geweld op de hals (al of niet ten gevolge van een nekklem) is beslist geen noodzakelijke voorwaarde. Er zijn meer dan genoeg gevallen bekend waarbij het slachtoffer overleed door EDS of ‘restraint asphyxia’ zonder dat hoofd en hals ook maar aangeraakt werden. Er zijn zelfs gevallen bekend van zeer geagiteerde en agressieve geboeide arrestanten ‘die zich (in de boeien) doodvochten’ zonder dat er een agent in de buurt was.”
(Excited delirium syndrome (ExDS): Situational factors and risks to officer safety in non-fatal use of force encountersp. 32, ook voorgehouden aan de deskundigen:
In dubio pro reo.Zonder doodsoorzaak met onderhavige feitenconstructie is immers niet voor de rechter vast te stellen of het gevolg in redelijkheid valt toe te rekenen aan de tenlastegelegde gedraging.
in redelijkheid is toe te rekenenis dan ook niet meer mogelijk en blijft ook achterwege. Terwijl daar juist in casu, zeker met het oog op de voorzienbaarheid en reden van handelen van cliënt, alle aanleiding voor is.
Kanhet aan DH01 verweten geweld een onmisbare schakel hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid? Ja. Dit is conform de rapportages van de deskundigen.
isveroorzaakt?
verwurgingheeft te gelden. Want bij de andere genoemde doodsoorzaken (waarvan niet kan worden gesteld dat zij hoogstwaarschijnlijk
niet tot overlijden hebben geleid)kan cliënts handelen hooguit een
bijdragehebben geleverd, maar kan geenszins worden gesteld dat het hierdoor
isveroorzaakt.
de kleine kans dat [slachtoffer] ook zonder het toepassen van de nekklem zou zijn overleden tijdens de aanhouding, waarover Das en Botter ter zitting hebben verklaard – [slachtoffer] heeft immers ook ander, rechtmatig, geweld moeten ondergaan, waardoor zijn adrenalinespiegel kon worden verhoogd en er een kans op fatale afloop aanwezig was – niet aan toerekening in de weg staat.
U vraagt mij of het stresssyndroom ook zou zijn ontstaan als er geen geweld op de hals is toegepast. Dat kan zeker.
kan,en in Uw ogen dan kennelijk
zal,hebben geleverd aan het intreden van het overlijden, dan is dit gevolg niet in redelijkheid aan cliënt toe te rekenen.
De doodsoorzaaken hoofdstuk VI:
Ontbreken van causaal verband,tenzij Uw Hof instemt met het als voorgedragen en herhaald/ingelast beschouwen van deze tekst en dat ook als zodanig op zal nemen in het proces-verbaal van de zitting.’
voortzettendaarvan’ van belang zijn. Daarbij zou uit de door het hof genoemde medische bevindingen niet de conclusie kunnen worden getrokken dat de omklemming van de nek een onmisbare schakel
is geweestin de gebeurtenissen die hebben geleid tot het overlijden. De steller van het middel wijst er in dit verband nog op dat als het hof werkelijk van oordeel was dat het geweld wel een onmisbare schakel zou zijn geweest, het niet meer behoefde in te gaan op de vraag of het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging is veroorzaakt, terwijl het hof die vraag wel bespreekt.
NJ2012/301 m.nt. Keijzer (de Groninger hiv-zaak) volgt dat de beantwoording van de vraag of causaal verband bestaat tussen de door de verdachte verrichte gedragingen en het bewezenverklaarde gevolg dient te geschieden aan de hand van de maatstaf of het gevolg redelijkerwijs als gevolg van die gedragingen aan de verdachte kan worden toegerekend. Uw Raad heeft daarbij rechtsregels geformuleerd voor het ‘uitzonderlijk’ geval dat ‘niet kan worden uitgesloten dat het intreden van het gevolg (…) onafhankelijk van de gedragingen van de verdachte, alleen door derden is veroorzaakt’:
NJ2013/194. [50] In deze zaak waren een juwelier en zijn vrouw in hun woning overvallen en was de juwelier nadien overleden. Pathologisch onderzoek had aan het licht gebracht dat bij de juwelier ook sprake was van een hartinfarct. A-G Vegter acht de Groninger hiv-criteria toepasselijk, hoewel geen ‘gedragingen van derden’ aan de orde zijn, ‘wel een lichamelijk zwakke constitutie van het slachtoffer’. Het argument dat voor Vegter de doorslag geeft, is dat Uw Raad in de geciteerde overwegingen verwijst naar HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8303,
NJ2006/86. Daarin had de patholoog aangegeven dat ‘een hartritmestoornis als doodsoorzaak sterk (dient) te worden overwogen’. Hij leidde daaruit af dat Uw Raad ‘met ‘meer uitzonderlijke gevallen’ kennelijk dus niet alleen (doelt) op gedragingen van derden’ (randnummer 10). Uw Raad overwoog in het arrest van 19 maart 2013 vervolgens:
NJ2015/5 m.nt. Keijzer. Ten laste van de verdachte was bewezenverklaard dat hij opzettelijk mishandelend het slachtoffer onverhoeds een arm om de nek/hals had geslagen en/of geklemd en had gebeten. Uit het ‘voorlopig sectieverslag’ was gebleken dat het slachtoffer een sterk vergroot hart had. Het gewicht was 650 gram terwijl het normale hartgewicht voor een persoon van 173 cm circa 327 gram is. De ‘opvallend donkere verkleuring van het hoofd’ zou ‘kunnen passen bij plotse hartdood’. Het deskundigenrapport van de patholoog hield in dat het hart met dit gewicht ‘ziekelijk veranderd’ was, dat er ‘aanwijzingen voor infarcering’ waren en dat ‘de aanwezigheid van cocaïne in het bloed een bijdrage (kan) hebben geleverd bij het ontstaan van fataal verlopende hartritmestoornissen’. En concludeerde dat het intreden van de dood kon worden verklaard ‘door een combinatie van reeds bestaande hartafwijking (hartvergroting), hartinfarcering en de aanwezigheid van cocaïne in het bloed’. Het hof overwoog ‘dat er een reële mogelijkheid bestaat dat het slachtoffer ook zou zijn overleden als de tenlastegelegde gedragingen van de verdachte waren uitgebleven’. Uw Raad overwoog:
NJ2012/301 m.nt. Keijzer werd gecasseerd.
gegevende situatie waarin [slachtoffer] zich sterk verzette, eerder al rechtmatig geweld tegen [slachtoffer] was toegepast en vier andere agenten ook bezig waren [slachtoffer] in bedwang te houden. Zoals de causaliteit in de casus van het bekende pantoffel-eierschaalschedelarrest naar het mij voorkomt kan worden vastgesteld uitgaande van het gegeven dat het slachtoffer een eierschaalschedel had. [67] Nu het hof ook zonder deze in de situatie besloten liggende factoren apart te zetten reeds van oordeel is dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het handelen van de verdachte is veroorzaakt, ga ik hier niet nader op in.
derdemiddel klaagt dat het beroep op afwezigheid van alle schuld wegens verontschuldigbare dwaling in verband met putatief handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift ten onrechte, althans op onjuiste, onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is verworpen.
VII. Geen schuld
dood door schuld, maar ook in verband met
schuldals algemene voorwaarde van strafbaarheid, zijn dezelfde omstandigheden relevant die zijn besproken bij de verweren ten aanzien van de opzet en causaal verband.
het slachtoffer hem reeds had gezegd geen adem te kunnen halen, hij de nekklem 16-18 minuten had aangehouden, waarvan de laatste 2-3 minuten het slachtoffer niet meer bewoog en het slachtoffer volgens omstanders in zijn broek had geplast, kwijlde en had gespuugd. (BFK: uit eerdere passages in de pleitnota blijkt dat wordt gedoeld op Gerechtshof te ‘s-Gravenhage 2 februari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV2646).
Schuld, tenzij Uw Hof instemt met het als voorgedragen en herhaald/ingelast beschouwen van deze tekst en dat ook als zodanig op zal nemen in het proces-verbaal van de zitting.
in de gerechtvaardigde veronderstelling dat hij handelde conform zijn wettelijke bevoegdheden. Met andere woorden: er is in dat geval sprake van verontschuldigbare dwaling, omdat hij in een verontschuldigbare onbewustheid handelde ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedragingen.
V.III Tekortkoming van de Staat
uitdrukkelijke wettelijke plichtom zorg te dragen voor een constante, grondige opleiding, training en toetsing van zijn agenten, in het bijzonder op het gebied van geweldgebruik.
Basic Principles on the Use of Force and Firearms by Law Enforcement Officialsvan de Verenigde Naties. En in art. 2 en Pro 3 van het EVRM wordt deze plicht door het Europese Hof ingelezen.
Politiële bewapening in perspectieftekende het WODC al in 2012 op dat agenten wijdverbreid klaagden over deze gebrekkige training. Volgens het WODC was
“het achterstallig onderhoud’’door de Minister onderkend en werd er gewerkt aan verbetering op dit punt.
in algemene zin.
DH01 en DH02in de jaren voorafgaand aan het incident nauwelijks tot geen AZV-training hebben gehad. In 2015 niet; in 2014 één dag, en in 2013 ook één dag.
Niet ter discussie staat dat de Integrale Beroepsvaardigheden Training (IBT) afgelopen jaren onvoldoende is gegeven.”
ietskon worden gedaan om fouten te voorkomen, was dat volgens de Commissie Heijder vooral
opleiding, permanente training en oefening.
komt ook maar in de buurt van de wettelijk verplichte 32 uur per politieambtenaar per jaar. Het lijdt geen twijfel dat dit niet alleen geldt voor de politie-eenheid Den Haag, maar ook voor de politie in de rest van Nederland. Daarmee moeten wij vaststellen dat de Nederlandse politieorganisatie er vooralsnog niet in slaagt om het doel van de wetgever namelijk om door middel van het vereiste van geoefendheid (artikel 4 van Pro de Ambtsinstructie 1994) alle politieambtenaren daadwerkelijk vaardig in het gebruik van hun geweldbevoegdheden hun politietaak te laten uitvoeren.De vijf verdachte politieambtenaren ontbrak het kennelijk aan de door de wetgever bedoelde vaardigheden, maar daarnaast ook aan voldoende kundige leiding om binnen de gegeven context de lastige aanhouding van de zich hevig verzettende [slachtoffer] adequaat en veilig uit te voerenen af te wikkelen mede in de zin van (het organiseren van) adequate zorgverlening voor de aangehouden verdachte.”
Zijlopen nu de risico’s, en
zijworden nu verantwoordelijk gehouden als het fout gaat. Zo is het strafrecht niet bedoeld.
“civielrechtelijke aansprakelijkheid van de Staat”.
alser in deze situatie - van een moeizaam verlopende aanhouding met meerdere agenten, tegen een zich hevig verzettende verdachte - iemand een verwijt valt te maken, is dat de Staat zelf.
X. Geen schuld
eer, gewetenen
kunnenhebben gehandeld, past geen vaststelling van schuld in de zin van verwijtbaarheid (en dus zeker niet in de zin van culpa). Dat is met andere beroepsgroepen niet anders.
wilüberhaupt nog rechter of Officier van Justitie worden als je persoonlijk een strafrechtelijk risico loopt, terwijl je je werk doet zo goed als je kan?
daadstrafrechtis, maar ook een
schuldstrafrecht. Dat houdt in dat er pas mag worden gestraft als er ook een zekere schuld bij de verdachte is vastgesteld.
afwezigheid van alle schuld. Anders dan het begrip afwezigheid van
alleschuld zou doen vermoeden, gaat het hier om een
redelijkheidstoetsing. Kan het handelen de verdachte in redelijkheid strafrechtelijk worden verweten?
vierdemiddel houdt verband met het voorstel van Wet geweldsaanwending opsporingsambtenaar. [83] De steller van het middel meent dat bij aanvaarding en inwerkingtreding van deze wet voordat Uw Raad arrest wijst, sprake is van verandering van wetgeving als gevolg waarvan voor de verdachte gunstiger bepalingen in zijn zaak zouden moeten worden toegepast. Dit wetsvoorstel zou twee voor de verdachte gunstige wijzigingen inhouden. In de eerste plaats zou, bij aanvaarding en inwerkingtreding van het wetsvoorstel, niet meer vervolgd en veroordeeld kunnen worden ter zake van art. 300, derde lid, Sr, maar hoogstens wegens art. 372 (nieuw) Sr, welk delict minder ernstig is en een lagere strafbedreiging kent. In de tweede plaats zou de verdachte zich na aanvaarding en inwerkingtreding van deze wet hebben kunnen beroepen op de nieuwe strafuitsluitingsgrond van art. 42, tweede lid, Sr.
Artikel 372
1. Inleiding
2. Geweldgebruik opsporingsambtenaren
4. Strafuitsluitingsgrond
Materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2015, p. 339.). Houben merkt hierover op dat iets dat een bevoegdheid wordt genoemd, een verplichting kan zijn. Vooral wanneer het gaat om bevoegdheden in het kader van wettelijk opgedragen taken (J.M. Houben, Artikel 42 Wetboek Pro van Strafrecht, Utrecht 1959, p. 53–55). De handelingen die nodig zijn om de taak te verrichten, vallen dan onder het bereik van artikel 42 Sr Pro en zijn dus gerechtvaardigd.
Studieboek materieel strafrecht, Deventer: Kluwer 2010, p. 319). Van Bemmelen, De Jong en Knigge oordelen dat de Ambtsinstructie, die een algemene maatregel van bestuur is en in het Staatsblad is gepubliceerd, kan worden aangemerkt als wettelijk voorschrift (J.M. Van Bemmelen, D.H. De Jong & G. Knigge,
Ons strafrecht: het materiële strafrecht, Deventer: Kluwer 2003, p. 178).
Artikelsgewijze toelichtingArtikel I, onderdelen A en B (artikelen 42, tweede lid, en 90novies Sr)
Artikel 261a
labelen. Het artikel is evenwel nieuw, en de begrenzingen dienen nog te worden verkend. Dat kan de officier van justitie ertoe brengen toch voor de tenlastelegging van mishandeling of een levensdelict te kiezen, of twee afzonderlijke dagvaardingen uit te brengen die gevoegd worden behandeld (een sluiproute die in de toelichting op het amendement begaanbaar wordt geacht [90] ). Ik wijs er hierbij op dat de opmerking in de memorie van toelichting, inhoudend dat de introductie van een specifiek op opsporingsambtenaren toegesneden strafbaarstelling niet afdoet aan het opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie, door het genoemde amendement niet is achterhaald. [91] De minister heeft zich, onder verwijzing naar het opportuniteitsbeginsel, niet gewaagd aan de beantwoording van de vraag hoe het openbaar ministerie zou hebben gedagvaard in de onderhavige zaak als het wetsvoorstel destijds kracht van wet zou hebben gehad. [92]
opgenomen in de pleitnota onderVII.II:
Vorderingen van de benadeelde partijen)hier als voorgehouden te beschouwen en ook op te nemen in het proces-verbaal van de zitting.’
VII.II Vorderingen van de benadeelde partijen
IV. Niet-ontvankelijk: onevenredige belasting van het strafgeding
als natuurlijk persoonoftewel, in privé.
V. Bespreking vorderingen tot schadevergoeding
niet-ontvankelijkis in haar vordering tot vergoeding van materiële schade (art. 361, tweede lid onder b, Sv).
rechtstreeksmet de ernstige gevolgen daarvan geconfronteerd, zoals daaraan invulling wordt gegeven door de rechtspraak. Een situatie als bedoeld onder a.) of b.) is daarom niet aan de orde. De vordering stuit reeds hierop af.
niet-ontvankelijkte worden verklaard.
rechtstreeksmet de ernstige gevolgen daarvan geconfronteerd. Een situatie als bedoeld onder a.) of b.) is niet aan de orde. De vordering stuit reeds hierop af.
“due to mourning’, oftewel: door rouwen, niet door de gebeurtenis an sich. Met betrekking tot de posttraumatische stressstoornis als gevolg van het zien van beelden, geldt hetgeen wij in het kader van de vordering van [benadeelde 1] hierover naar voren brachten: die ene zinsnede is evident onvoldoende voor de vaststelling dat van geestelijk letsel als vereist sprake is.
rechtstreeksmet de ernstige gevolgen daarvan geconfronteerd. Een situatie als bedoeld onder a.) of b.) is niet aan de orde. De vordering stuit hier reeds op af.
rechtstreekseconfrontatie met de ernstige gevolgen is dus geen sprake.
III.II Aangepaste vordering van [benadeelde 2]
De vorderingen van de benadeelde partijen
Eigen schuld
ten hoogste25% kan worden geschat. Dit brengt mee dat de hierna toe te wijzen vorderingen tot schadevergoeding zullen worden verminderd met dat percentage. (…)
[benadeelde 6]en
[benadeelde 5]zien enkel op de door hen beweerdelijk geleden shockschade. Zij zullen, gelet op het hierboven overwogene, in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
(BFK: moet worden)verklaard. (…)
- € 2.181,- wegens gederfd levensonderhoud;
- (…)
- 162. Ingevolge artikel 51f Sv en artikel 6:108 BW Pro kan de benadeelde partij in zijn hoedanigheid van bloedverwant van het slachtoffer de kosten van het gederfde levensonderhoud in het strafgeding vorderen. Daartoe is een bedrag van € 2.181,- gevorderd. Gelet op de onderbouwing komt dit bedrag het hof niet onredelijk voor, terwijl de verdediging de berekening van het gederfde levensonderhoud niet inhoudelijk heeft betwist. Het hof zal dan ook dit onderdeel van de vordering, zij het met een vermindering van 25%, toewijzen, derhalve € 1.635,75.
- (…)
- Wettelijke rente
- 167. Voor zover de vorderingen tot schadevergoeding door het hof zullen worden toegewezen, zullen deze worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf de datum van het overlijden van [slachtoffer] , 28 juni 2015, tot aan de dag van de algehele voldoening. (…)
- Ten aanzien van de toegewezen kosten van levensonderhoud wordt geen wettelijke rente toegewezen, nu een deel van deze kosten weliswaar betrekking heeft op het verleden, maar daartegenover staat dat een ander deel van deze kosten "vooruit" moet worden betaald.
- (…)
- Schadevergoedingsmaatregel
- 169. Het hof acht geen termen aanwezig om - ter zake van de hierboven genoemde toegewezen schadeposten - aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu de Nationale Politie, de werkgever van de verdachte, heeft aangegeven dat zij een aansprakelijkheidsverzekering heeft en dat het handelen van de verdachte onder de dekking van die verzekering valt. Voor vergoeding van de toegewezen schade kunnen de benadeelde partijen dus de Nationale Politie benaderen.
- Proceskosten
- 170. Daar waar de verdachte wordt veroordeeld in de proceskosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen tot schadevergoeding hebben gemaakt, wordt hij tevens veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken’
Shockschade; niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij
NJ2017/88 m.nt. Lindenbergh. Daarin overwoog Uw Raad als volgt:
NJ2017/89 m.nt. Lindenbergh overwoog Uw Raad dat ’s hofs oordeel voor zover inhoudend dat, kort gezegd, sprake was van te vergoeden shockschade niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd was. Desalniettemin casseerde Uw Raad, op grond van de volgende overweging:
NJ2019/111 m.nt. Mevis casseerde Uw Raad de beslissing tot toewijzing van een vergoeding wegens shockschade eveneens, onder verwijzing naar de conclusie van A-G Bleichrodt. Uit de conclusie valt af te leiden dat het hof ‘het bestaan van geestelijk letsel niet in rechte heeft vastgesteld’. Bleichrodt acht ‘het oordeel ten aanzien van het bedrag aan immateriële schade evenmin zonder meer begrijpelijk’ (randnummer 79). In HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:830 werd een middel dat betrekking had op de toewijzing van shockschade met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering afgedaan. Uit de conclusie van A-G Vegter volgt dat het hof had vastgesteld dat aan de vereisten volgend uit rechtspraak van Uw Raad was voldaan, en dat de verdachte niet gemotiveerd had betwist dat de benadeelde partij shockschade had geleden (randnummers 20 en 21). Ook in HR 3 september 2019, ECLI:NL:HR:2019:1295 werd een middel dat betrekking had op de toewijzing van shockschade met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering afgedaan. Uit de conclusie van A-G Spronken blijkt dat de kern van de klacht was dat het hof ‘de schatting van de naar billijkheid te vergoeden shockschade’ onvoldoende had gemotiveerd. Zij concludeert dat het hof op dat punt niet tot een nadere motivering was gehouden mede gelet op ‘het ontbreken van inhoudelijke onderbouwde betwistingen omtrent de omvang van de vordering van de zijde van de verdediging’ (randnummer 31).
NJ2019/379 m.nt. Vellinga, het overzichtsarrest met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij, heeft Uw Raad inzake de vergoeding voor immateriële schade, waaronder shockschade, en inzake de beoordeling door de rechter van een vordering van een benadeelde partij het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
NJ2016/104 waarin de benadeelde partij niet-ontvankelijk was verklaard in de vordering voor zover deze aan- en verkoopkosten (van een ander huis) en verhuiskosten betrof. Gesteld was dat de verhuizing een rechtstreeks gevolg was van de diepe indruk die de bewezenverklaarde beroving had achtergelaten. Uw Raad overwoog dat het hof de benadeelde partij in haar vordering tot vergoeding van deze kosten niet-ontvankelijk had verklaard ‘op de grond dat de behandeling van die vordering met het oog op beantwoording van de vraag of voldaan is aan het vereiste rechtstreeks verband tussen die schade en het bewezenverklaarde feit een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.’
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat in onvoldoende mate zou zijn gebleken dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen en dat het hof ten onrechte op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW en art. 8 EVRM Pro geen immateriële schadevergoeding heeft toegewezen.
[benadeelde 1]bevindt zich een brief van 1 maart 2017 van [betrokkene 4] , ‘Psychologist-Director’ bij ‘Idea Psychological Center’ te Aruba. [101] Deze brief houdt onder meer in:
[benadeelde 2]bevindt zich een brief van 1 maart 2017, eveneens van [betrokkene 4] , ‘Psychologist-Director’ bij ‘Idea Psychologicial Center’ te Aruba. [102] Deze houdt onder meer in:
[benadeelde 3]bevindt zich een brief van psycholoog [betrokkene 3] van 10 maart 2017. Deze brief houdt onder meer in:
our sessions, waarin
some symptoms of anxiety as well as depressive moodsnaar voren kwamen. Vervolgens is als diagnose vermeld: ‘
Adjustment Disorder with depressed mood (Code ICD 10-F43.21) due to mourning (Code ICD 10-Z63.4) with comorbidity Posttraumatic stress disorder (Code ICD 10- F43.12) due to witnessed violent images about the sudden death of her loved son.’ De brief licht niet toe waarom op basis van de vastgestelde symptomen de conclusie is getrokken dat sprake is van
comorbidity posttraumatic stress disorder. Evenmin wordt toegelicht waaruit is afgeleid dat deze het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De brief geeft ook niet aan wie met [benadeelde 1] heeft of hebben gesproken, hoe lang het gesprek of de gesprekken hebben geduurd, en wie vervolgens de diagnose heeft gesteld.
our sessions, waarin
some symptoms of anxiety as well as depressive moodsnaar voren kwamen. Vervolgens is als diagnose vermeld: ‘
Major Depressive Disorder, severe without psychotic features (Code ICD 10-F32.2) due to mourning (Code ICD 10-Z63.4) with comorbidity Posttraumatic stress disorder (Code ICD 10-F43.12) due to witnessed violent images about the sudden death of her loved brother.’ Ook deze brief licht niet toe waarom op basis van de vastgestelde symptomen de conclusie is getrokken dat sprake is van
comorbidity posttraumatic stress disorder, of waaruit is afgeleid dat deze het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De brief geeft niet aan wie met [benadeelde 2] heeft of hebben gesproken, hoe lang het gesprek of de gesprekken hebben geduurd, en wie vervolgens de diagnose heeft gesteld.
long term treatment’ en dat bij elk van beide benadeelde partijen wordt vermeld dat zij tijdens de behandeling ‘
periods of a prominent tension, worry and feelings of apprehension about every-day events and problems’ hebben ervaren, zonder dat is toegelicht hoe deze observatie zich verhoudt tot de eis dat sprake is van (kort gezegd) shockschade.
Adjustment Disorder’en de ‘
Major Depressive Disorder’ volgens de brieven het gevolg zouden zijn van ‘
mourning’ en dus niet van ‘de gebeurtenis an sich’.
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de rechtsgronden niet heeft aangevuld en ten onrechte op de grondslag van art. 6:106, aanhef en onder b, BW, jo. art. 6:97 BW Pro en art. 8 EVRM Pro geen (immateriële) schadevergoeding heeft toegewezen. In de toelichting voert de steller van het middel aan dat het hof heeft miskend dat, nu op de vordering benadeelde partij het civiele recht van toepassing is, het ‘de rechtsgronden van het geding moest en behoorde aan te vullen’.
derdemiddel klaagt dat het hof de benadeelde partijen ten onrechte in hun vorderingen ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het hof ten onrechte geen (immateriële) schadevergoeding heeft toegewezen en heeft overwogen dat het begroten van de schade nader onderzoek vergt. In de toelichting wordt erop gewezen dat Uw Raad in het overzichtsarrest van 28 mei 2019 heeft overwogen dat de gegeven uiteenzetting beoogt te voorkomen dat de strafrechter ‘vaker dan nodig gebruikmaakt van zijn bevoegdheid een benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat hij vindt dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren’ (rov. 2.1). In de toelichting wordt onder meer gesteld dat de benadeelde partijen concrete gegevens hebben aangevoerd wat betreft hun geestelijk letsel en de omstandigheden waaronder zij [slachtoffer] hebben gezien. Het hof heeft volgens de steller van het middel ‘op geen enkele wijze duidelijk gemaakt welk onderzoek naar het oordeel van het Gerechtshof noodzakelijk zou moeten zijn’. ’s Hofs oordeel zou blijk geven ‘van een onjuiste wijze van begroting’; het zou op de weg van het hof gelegen hebben om ‘de hoogte van de schade te schatten’. Voor zover de benadeelde partijen bekend zou geen gemotiveerd inhoudelijk verweer zijn gevoerd door de verdediging tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. Zij zouden hun vorderingen door middel van de gegeven toelichtingen en verklaringen van psychologen afdoende hebben onderbouwd.
vierdemiddel klaagt dat het hof de benadeelde partij [benadeelde 1] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in ‘haar vordering tot toewijzing van de kosten die zij heeft gemaakt voor de psycholoog’. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat de benadeelde partijen gezamenlijk hebben aangevoerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vordering tot vergoeding van shockschade. In het verlengde daarvan zou liggen dat ook deze kosten dienen te worden toegewezen ‘nu die kosten zijn gemaakt als een gevolg van de shock die hen is overgekomen en de kosten voorts noodzakelijk waren om te maken in het kader van de vaststelling van de door hen gevorderde shockschade’. Daarbij zou het hof niet zijn ingegaan op de stelling van de benadeelde partij dat deze kosten zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid en de schade ex art. 6:96, tweede lid onder b en c, BW. De steller van het middel wijst er daarbij op dat er een diagnose is gesteld.
Kosten in verband met de strafzaak ( [slachtoffer] ) TEVENS VERMEERDERING
Omschrijving Bedrag Totaal BTW
zo veel als mogelijk toe te wijzen en gebruik te maken van de aan de rechter toekomende bevoegdheid van art. 6:97 BW Pro.
expliciete mogelijkheid om de omvang van de schade te schatten. Dit artikel geeft de rechter dan ook een
grote mate van vrijheid bij begroting en toewijzing van geleden schade. Dit leidt er ook toe dat van de gewone regels van stelplicht en bewijslast mag worden afgeweken. Die mogen worden toegepast, maar
de rechter mag ook,zonder nader bewijs, aannemelijk achten dat de schade is geleden en de omvang hiervan vervolgens schatten.
in lijn met de bedoeling van de wetgevermet de invoering van de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces. Het gebruik maken van de bevoegdheid tot schatting bij toewijzing van schadevergoeding in het strafproces is ook expliciet genoemd in het boek van mr. Candido e.a. dat is geschreven op verzoek van de Raad voor de Rechtspraak.’
eerstemiddel klaagt dat het hof ten onrechte heeft overwogen dat in onvoldoende mate zou zijn gebleken dat sprake is van geestelijk letsel bij de benadeelde partijen en dat het hof ten onrechte op grond van art. 6:106, aanhef en onder b, BW en art. 8 EVRM Pro geen immateriële schadevergoeding heeft toegewezen.
[benadeelde 6]bevindt zich een behandelplan BasisGGZ van 22 september 2015, opgesteld door [betrokkene 6] . Dit behandelplan houdt onder meer in:
Beschrijvende diagnose
[benadeelde 5]bevindt zich een formulier ‘intake POM GGZ’ van 10 november 2016. Dit formulier houdt in:
Klachten
tweedemiddel klaagt dat het hof ten onrechte de rechtsgronden niet heeft aangevuld en ten onrechte op de grondslag van art. 6:106, aanhef en onder b, BW en art. 8 EVRM Pro geen (immateriële) schadevergoeding heeft toegewezen. In de toelichting voert de steller van het middel aan dat het hof heeft miskend dat, nu op de vordering benadeelde partij het civiele recht van toepassing is, het ‘de rechtsgronden van het geding moest en behoorde aan te vullen’. Het hof had ambtshalve behoren te kijken of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
derdemiddel klaagt dat het hof de benadeelde partijen ten onrechte in hun vorderingen ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu het hof ten onrechte geen (immateriële) schadevergoeding heeft toegewezen en heeft overwogen dat het begroten van de schade nader onderzoek vergt. Gesteld wordt dat de benadeelde partijen concrete gegevens hebben aangevoerd wat betreft hun geestelijk letsel en de omstandigheden waaronder zij het slachtoffer hebben gezien. Het hof heeft volgens de steller van het middel ‘op geen enkele wijze duidelijk gemaakt welk onderzoek naar het oordeel van het Gerechtshof noodzakelijk zou moeten zijn’. ’s Hofs oordeel zou blijk geven ‘van een onjuiste wijze van begroting’; het zou op de weg van het hof gelegen hebben om ‘de hoogte van de schade te schatten’. Voor zover de benadeelde partijen bekend zou geen gemotiveerd inhoudelijk verweer zijn gevoerd door de verdediging tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.
eerstemiddel bevat vier deelklachten. De eerste klacht is dat het hof het verzoek van de verdachte tot identiteitsafscherming heeft gehonoreerd op gronden die deze beslissing niet kunnen dragen. De tweede klacht is dat deze beslissing onbegrijpelijk is in het licht van de gerechtvaardigde belangen van de benadeelde partij bij de mogelijkheden tot tenuitvoerlegging van de door het hof toegewezen vordering tot schadevergoeding. De derde deelklacht is dat het gerechtshof de vordering van de benadeelde partij heeft toegewezen ten laste van een niet nader geïdentificeerde persoon en/of heeft verzuimd de naam en/of andere voor de tenuitvoerlegging van de beslissing van het gerechtshof noodzakelijke gegevens van degene ten laste van wie de verplichting tot vergoeding van schade aan de benadeelde partij is opgelegd daarin op te nemen. De vierde deelklacht is dat het hof, teneinde de tenuitvoerlegging van de beslissing voor de benadeelde partij mogelijk te maken, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel daarbij achterwege heeft gelaten, als gevolg waarvan de benadeelde partij niet in staat zou zijn het arrest van het hof bij ontbreken van betaling van het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag gerechtelijk ten uitvoer te (doen) leggen.
NJ2013/279 m.nt. Reijntjes betoogt de indiener van het verweerschrift dat hetzelfde geldt voor de beslissing over het al dan niet opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.
NJ2019/337 m.nt. Vellinga op dat Uw Raad vaker heeft geaccepteerd dat uitspraken onder codenummer worden gewezen indien de verdachte een politieambtenaar is en veiligheidsredenen daartoe nopen. Het middel zou voorts berusten op een hypothetische, toekomstige omstandigheid, inhoudend dat betaling van het toegewezen bedrag zou uitblijven en gerechtelijke tenuitvoerlegging vervolgens noodzakelijk zal zijn. Daarmee zou worden voorgesorteerd op een situatie die non-existent en louter theoretisch is, nu de Nationale Politie en haar verzekeraar schriftelijk kenbaar hebben gemaakt dat DH01 onder de polisdekking van de aansprakelijkheidsverzekering van de Nationale Politie valt, een opzetuitsluiting in de polis op DH01 niet van toepassing is, en een toegewezen vordering tot schadevergoeding van een benadeelde partij in een strafprocedure eveneens verzekerd is.
tweedemiddel klaagt dat de afwijzing van het onderdeel van de vordering dat betrekking heeft op de wettelijke rente over het gederfde levensonderhoud blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk dan wel onvoldoende met redenen omkleed is. Ook zou het hof verzuimd hebben een beslissing te nemen op de vordering van de benadeelde partij in zoverre het de wettelijke rente over de proceskosten betreft, dan wel zou de (impliciete) afwijzing van het daarop betrekking hebbende deel van de vordering onbegrijpelijk en/of onvoldoende met redenen omkleed zijn.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga) voor zover in verband met dit middel van belang het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
Wettelijke rente