Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring, bewijsvoering en beslissing op een gevoerd verweer
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 februari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft het beroep in cassatie van verdachte tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving en poging tot diefstal met geweld op 24 oktober en 1 november 2014 te Nijmegen.
De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring in beslissende mate was gebaseerd op verklaringen van een medeverdachte die zich op zijn verschoningsrecht had beroepen en daardoor niet kon worden ondervraagd, wat het recht op een eerlijk proces zou schenden. Het hof oordeelde echter dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate op die verklaringen berustte, maar mede steunde op verklaringen van slachtoffers, politieverslagen, bevindingen en getuigenverklaringen.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en acht het niet onbegrijpelijk dat het hof de verklaringen van de medeverdachte niet als doorslaggevend heeft beschouwd. Tevens acht het hof de door verdachte gegeven verklaringen niet aannemelijk. Het beroep van verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.