Conclusie
middelklaagt dat het hof art. 6 EVRM Pro heeft geschonden, doordat het de bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 05-780098-15 en in de zaak met parketnummer 05-881648-14 onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde in beslissende mate heeft gebaseerd op de verklaring van een persoon die de verdediging niet heeft kunnen ondervragen, te weten: de getuige [betrokkene 2] , zonder dat hiervoor compensatie is geboden.
Ten aanzien van het onder 05-780098-15 en onder 05-881648-14 feit 1 subsidiair en feit 2 bewezen verklaarde:
circa 20 minutenna de melding van het incident door de politie werd aangetroffen in een auto samen met [betrokkene 2] als steunbewijs kan dienen met betrekking tot de op 24 oktober 2014 gepleegde feiten. De verdachte geeft voor zijn aanwezigheid in de auto blijkens de stukken van het geding echter een andere lezing dan [betrokkene 2] , namelijk dat hij op 24 oktober 2014 door iemand anders, wiens naam hij niet wil noemen, is opgehaald en naar de auto van [betrokkene 2] is gebracht die niet wilde vertellen wat er aan de hand was, maar dat er spullen moesten worden weggebracht. Vervolgens zijn zij, nog steeds volgens de verdachte, door de politie aangehouden, waarop zij na het geven van hun naam, konden doorrijden naar het huis van de verdachte waar [betrokkene 2] een rugzak heeft achtergelaten. Pas de dag daarop heeft de verdachte van [betrokkene 2] gehoord wat er gebeurd was. [7] Deze lezing is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden. [8] Dat maakt mijns inziens echter nog niet dat voormelde omstandigheid daarmee zonder nadere motivering, die ontbreekt, als steunbewijs kan dienen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij voormelde feiten.