Conclusie
Bewijsoverwegingen
eerste middelklaagt dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de partij stookolie als een afvalstof moet worden aangemerkt, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.
niette ontdoen van het voorwerp of de stof staat daarmee dus nog niet in alle gevallen vast. Immers het Hof overweegt uitdrukkelijk: “in casu”. De intentie om te bewerken en weer op de markt te brengen is derhalve niet zonder meer doorslaggevend. Ik noem in vraagvorm omstandigheden die in aanmerking kunnen worden genomen bij de vraag of bij/na retourzending sprake is van een afvalstof: (a) heeft het voorwerp of de stof geen nut (meer) zodat het een last wordt? (r.o. 42); (b) is de marktwaarde van het voorwerp of de stof (nagenoeg) gelijk aan de prijs voor het voorwerp of product dat wel aan de (overeengekomen) specificaties voldoet? (r.o. 49); (c) is hergebruik zeker zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben? (r.o. 53); (d) is het voorwerp of de stof zonder bewerking geschikt voor het gebruik waarvoor het was bestemd? [28] En als een concrete toepassing van die laatste omstandigheid: is het voorwerp of de stof enkel en alleen in verband met overtolligheid geretourneerd en bevindt het zich nog in originele verpakking? [29]
eerste middelfaalt.
Bewijswaarde verklaringen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] - verzoek horen als getuige
tweede middelfaalt.
Door de politie aan [verdachte] / [betrokkene 5] toegeschreven verklaring
"het gewoon product was en geen afval" en "deze partij niet 'off-spec' was en datdeze na te zijn gereinigd of geblend weerals scheepsbrandstofkon worden ingezet”;
derde middelfaalt.
aldeze omstandigheden (…)” niet enkel de omstandigheden in de alinea vóór die zinsnede op het oog, maar de gehele (bewijs)motivering. In zoverre faalt de klacht. Uit (de toelichting op) het middel blijkt dat voorts - in de kern - nog wordt geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat de verdachte op de hoogte was van de problemen die aan boord van de [naam 1] bestonden met de stookolie. In dat verband is in hoger beroep door de verdediging aangevoerd, met verwijzing naar de pleitnota (onder 99) dat “de verdachte geen wetenschap had over in het bijzonder de e-mails en documenten waarin gerept werd over olie die niet goed zou zijn.” Ook deze klacht kan niet slagen. Het hof heeft de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, te weten dat de partij stookolie vanwege de grote beperkingen die aan het gebruik daarvan waren verbonden, niet geschikt en daarmee niet bruikbaar was om te gebruiken als brandstof voor de voortstuwing van de [naam 1] , dat [medeverdachte] van de bunkers af wilde en dat deze de stookolie voor een veel lagere prijs dan waarvoor deze werd aangekocht heeft verkocht aan de verdachte en dat de vertegenwoordiger van de verdachte heeft verklaard dat de stookolie na blenden weer verhandeld zou worden. Kennelijk heeft het hof uit de verklaring van de vertegenwoordiger van de verdachte afgeleid dat de verdachte wist dat er problemen waren met de stookolie. Dat is niet onbegrijpelijk. Dat de verdachte, zoals de verdediging betoogt, niet op de hoogte was van de e-mails en documenten, doet daaraan niet af. Dat het hof uit de overige genoemde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, waarbij in het bijzonder kan worden gewezen op de koopprijs van 220 dollar, heeft afgeleid dat de verdachte wist dat er problemen waren met de stookolie en door deze zonder nader onderzoek (toch) te kopen en te (laten) debunkeren bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zij (gevaarlijke) afvalstoffen inzamelde en overbracht, is niet onbegrijpelijk noch ontoereikend gemotiveerd. [66]
vierde middelfaalt.
Strafmotivering
vijfde middelfaalt.