Uitspraak
gevestigd te [plaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
(rov. 3.5.4)
4.Beslissing
5 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de toekenning van een transitievergoeding aan een werknemer die wegens langdurige ziekte kort voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd werd ontslagen. De werknemer, geboren in 1952, was sinds 1978 in dienst en had na langdurige ziekte een WGA- en later een IVA-uitkering ontvangen. De werkgever vroeg en kreeg toestemming van het UWV voor ontslag wegens arbeidsongeschiktheid en zegde de arbeidsovereenkomst op.
De werknemer vorderde een volledige transitievergoeding van € 73.541,42, terwijl de kantonrechter slechts € 25.000 toekende, met verwijzing naar redelijkheid en billijkheid vanwege de beperkte resterende arbeidsduur en inkomensderving. Het hof vernietigde deze beslissing en kende de volledige transitievergoeding toe, stellende dat de wettelijke regeling van de transitievergoeding dwingend is en geen ruimte laat voor matiging op grond van redelijkheid en billijkheid, ook niet bij ontslag kort voor de pensioengerechtigde leeftijd.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en benadrukte dat de wetgever bewust heeft gekozen voor een abstract en gestandaardiseerd stelsel, waarbij de transitievergoeding niet wordt verminderd vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of het ontvangen van een IVA-uitkering. De Hoge Raad wees op de terughoudendheid die bij toepassing van redelijkheid en billijkheid op dwingend recht moet worden betracht en verwierp het cassatieberoep van de werkgever.
De Hoge Raad veroordeelde de Stichting in de kosten van het geding en sprak de beschikking uit op 5 oktober 2018.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat volledige transitievergoeding bij ontslag wegens ziekte kort voor pensioengerechtigde leeftijd toekomt zonder matiging.