Uitspraak
gevestigd te Amsterdam,
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Zeist,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 oktober 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft de persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van Dutch Film Finance B.V. (DFF) in verband met een commanditaire vennootschap die beoogde te beleggen in filmproductie. De beleggers, verenigd in de Vereniging Belangenbehartiging Participanten Hungry Eye C.V. 9, werden misleid doordat de film niet werd geproduceerd, waardoor hun inleg verloren ging en zij fiscale voordelen misliepen.
In eerdere instanties oordeelde de rechtbank Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade. DFF stelde cassatieberoep in tegen het laatste arrest van het hof, maar de Hoge Raad verwierp dit beroep zonder nadere motivering, verwijzend naar artikel 81 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
De Hoge Raad bevestigde daarmee de maatstaf van persoonlijk ernstig verwijt en de toelaatbaarheid van het aanbod van getuigenbewijs. Tevens veroordeelde de Hoge Raad DFF in de kosten van het cassatiegeding. De uitspraak onderstreept de aansprakelijkheid van bestuurders voor onrechtmatige daad jegens beleggers bij misleiding en benadeling.
Uitkomst: Het cassatieberoep van Dutch Film Finance B.V. werd verworpen en de bestuurder werd persoonlijk aansprakelijk gehouden voor de misleiding en benadeling van beleggers.