Conclusie
1.Feiten
Winstvaststellingsovereenkomst
2.Procesverloop
rol [eiser 2]
Meavita-beschikking [20] heeft het hof hierin aanleiding gezien de zaak opnieuw te behandelen. In het procesdossier bevindt zich geen correspondentie waaruit kan worden afgeleid hoe een en ander aan partijen is medegedeeld en hoe zij hierop hebben gereageerd. Wel is ter zitting van 16 maart 2017 hierover het volgende opgemerkt door mr. De Graaf, advocaat van de Vereniging [21] :
“Ik denk dat er vast wel productiemaatschappijen te vinden zijn die één of meer filmpjes hebben, te produceren in 2001, waarop zij middels het heen en weer sturen van geld 10,5% winst kunnen maken”, wijst laatstbedoelde gang van zaken erop dat het nimmer de bedoeling is geweest dat CV 9 voor eigen rekening en risico een film zou gaan produceren, doch dat getracht is om via de participanten op oneigenlijke wijze van een ter stimulering van de productie van films in het leven geroepen fiscale regeling te profiteren door voor ruim 100% van voortbrengingkosten daarvan een film te kopen die vervolgens door de werkelijke producent van de film voor een bedrag dat ongeveer 10% lager lag (de “licentievergoeding”) in feite werd teruggekocht. Uit deze gang van zaken volgt tevens dat het nimmer de bedoeling is geweest dat CV 9 daadwerkelijk gerechtigd zou worden op exploitatieopbrengsten van de film en voorts dat van een (positief) commercieel resultaat dat aan de participanten ten goede zou komen nimmer sprake zou zijn geweest; de (investering in de) film was immers voor CV 9 reeds in opzet verliesgevend.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Meavita-beschikking (hierna randnummer 3.5), inderdaad bloot aan nietigheid en een eventueel cassatieberoep zou op die grond stellig zijn geslaagd, maar dat ‘rondje’ heeft het hof partijen willen besparen door zoveel mogelijk in de geest van een dergelijke vernietiging te handelen. Het verbaast niet dat partijen met het procedurevoorstel van het hof akkoord zijn gegaan [24] en evenmin, waarbij overigens een rol zal spelen dat de nieuwe beslissing inhoudelijk niet fundamenteel afwijkt van de oorspronkelijke, dat zij in deze cassatie niet alsnog bezwaren hebben geuit. Ik zou zelf een oplossing als deze, die inderdaad pragmatisch is en in uitgangspunt recht doet aan de positie van partijen, toejuichen en dan ook niet in de weg willen staan. In deze cassatie zijn, als gezegd, ook geen klachten op dit punt geformuleerd, zodat er ook geen ruimte is om hier in te grijpen (hierna randnummer 3.7).
Meavita-beschikking heeft Uw Raad geoordeeld dat een uitspraak, die mede is gewezen door een rechter die op het moment dat de uitspraak werd gewezen was gedefungeerd, nietig is wegens strijd met art. 5 lid 2 RO Pro. [25] Naar in het onderhavige geval vaststaat, was raadsheer mr. Schrage gedefungeerd op het moment dat (de tekst van) het tussenarrest van 27 oktober 2015 werd (vastgesteld en werd) gewezen. Dat is, zoals het hof met juistheid heeft overwogen, in strijd met hetgeen in art. 5 lid 2 RO Pro is bepaald. Het arrest van 27 oktober 2015 is daarmee echter niet van rechtswege nietig, zo bevestigt een andere recente beslissing van Uw Raad: het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat nietigheid van een uitspraak uitsluitend kan worden ingeroepen in het kader van een daartegen openstaand rechtsmiddel. Buiten het toepassingsbereik van art. 31 en Pro art. 32 Rv Pro kan de rechter niet zelf de rechtskracht van zijn uitspraak aantasten, ook niet met instemming van partijen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat die aantasting is voorbehouden aan de hogere rechter, aan wie door aanwending van een rechtsmiddel kan worden gevraagd een uitspraak uit de vorige instantie te vernietigen. [26] Het hof in de onderhavige zaak kon dus niet zelf het arrest van 27 oktober 2015 vernietigen of de rechtskracht van het arrest op een andere wijze aantasten, ook niet met instemming van partijen. Dat neemt niet weg dat hof en partijen met hun handelwijze feitelijke betekenis aan het oorspronkelijke tussenarrest hebben ontnomen. Bij die gang van zaken zou het beste aansluiten, om aan te nemen dat het tussenarrest ook geen rechtskracht meer heeft, maar hoe dat juridisch geconstrueerd kan worden, is nog niet meteen duidelijk.
Meavita-beschikking. [27] Recent is aan Uw Raad de prejudiciële vraag voorgelegd of zo’n nieuwe behandeling kan geschieden door rechters die aan de eerdere, vernietigde uitspraak hebben meegewerkt. [28] Uw Raad beantwoordde die vraag ontkennend: in een dergelijk geval kan bij een partij objectief gerechtvaardigde twijfel ontstaan over de vraag of een rechter die eerder over de feiten en geschilpunten heeft geoordeeld, in staat zal zijn diezelfde feiten en geschilpunten nogmaals onbevangen te beoordelen. [29] Dat komt in strijd met het recht op beoordeling door een onpartijdige rechter zoals gewaarborgd in art. 6 EVRM Pro. Of de soep in een geval als het onderhavige zo heet gegeten wordt, blijft echter de vraag. Ik sluit namelijk niet uit dat op dit punt van belang is, mede gelet op de nadruk op ‘een geval als het onderhavige’ in rov. 3.5.5 van de beslissing van Uw Raad in
[...] c.s./Fairstar c.s., dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een einduitspraak, maar van een tussenarrest.
[...] c.s./Fairstar c.s.betrof een eindvonnis. [30]
Onderdeel 1faalt dus bij gebrek aan belang.
onderdeel 2. Dit onderdeel richt een aantal motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof in rov. 3.1., 3.2., 3.7.1. tot en met 3.10. (en 3.11., eerste zin en daarop voortbouwende rov. 3.14. tot en met 4.) dat [eiser 2] persoonlijk een ernstig verwijt treft. Ook dit onderdeel gaat er kennelijk van uit dat het hof [eiser 2] aansprakelijk heeft geacht in hoedanigheid van bestuurder van DFF, terwijl het hof zoals hiervoor is toegelicht (randnummer 3.14) juist aansprakelijkheid van [eiser 2] als persoon, los van zijn hoedanigheid als bestuurder, op grond van de ‘gewone’ regels van onrechtmatige daad heeft vooropgesteld. Onderdeel 2 faalt daarmee dus, net als onderdeel 1, strikt genomen reeds bij gebrek aan belang. Desondanks zal ik de motiveringsklachten bespreken als waren zij gericht tegen het oordeel dat [eiser 2] in persoon en dus niet in hoedanigheid als bestuurder aansprakelijk is. Voor zover daarbij echter klachten aan de orde zijn die gebaseerd zijn op de toepassing van de ernstig verwijt-maatstaf (zoals in de inleiding van onderdeel 2), laat ik die onbesproken, omdat motiveringsklachten tegen deze wijze, om dezelfde reden als de rechtsklacht van onderdeel 1, in ieder geval falen bij gebrek aan belang.
onderdeel 3blijkt dat bedoeld is met deze subonderdelen ook het oordeel aan te vallen voor zover dat betrekking heeft op DFF. Om die reden maak ik in de hiernavolgende bespreking van de subonderdelen van onderdeel 2 geen onderscheid tussen (het oordeel over het handelen van) DFF en (over dat van) [eiser 2] , maar spreek ik steeds van ‘DFF c.s.’.
Subonderdeel 2 (i)faalt daarom.
nietzouden worden genoten (hiervoor randnummers 3.21-3.22), terwijl bovendien vaststaat dat de licentievergoeding bij DFF is terechtgekomen (rov. 3.1. xii; hiervoor randnummer 1.13). Overigens heeft het hof geoordeeld dat ook wanneer DFF c.s. niet gehandeld zouden hebben met het oogmerk om de participanten te benadelen, dit aan de onzorgvuldigheid van hun handelen niet afdoet (rov. 3.8., voorlaatste volzin). Het subonderdeel is daarmee vergeefs voorgesteld.
randletters (B) en (C)falen daarom.
subonderdeel 2 (iv)doel treft
.
subonderdeel 2 (v)af.
Subonderdeel (vi)faalt dus.
randletters (A), (C) en (E).
randletter (D).
randletter (F)ten slotte wordt betoogd dat het niet sluiten van een winstvaststellingsovereenkomst niet kan meewegen bij het oordeel over het handelen van DFF c.s. Volgens DFF c.s. heeft de Vereniging namelijk zelf betoogd dat het al dan niet gesloten zijn van een winstvaststellingsovereenkomst niet zou hebben uitgemaakt voor de fiscale behandeling. [63] Hier wordt miskend dat het verwijt aan DFF c.s. is, dat aan participanten niet is medegedeeld dat (mede gelet op ervaringen met eerdere CV’s) dat in dit geval geen winstvaststellingsovereenkomst zou (kunnen) worden gesloten, terwijl zij belang hadden bij de daardoor geboden zekerheid. Daarvan staat los, dat die zekerheid achteraf wellicht een schijnzekerheid was gebleken, nadat de constructie met de licentieovereenkomst aan het licht was gekomen. Ook deze klacht faalt daarom.
onderdeel 3in dat de in onderdeel 2 vervatte klachten tegen het oordeel van [eiser 2] ook tegen het oordeel van DFF worden gericht. In het voorgaande is toegelicht waarom de klachten niet slagen, noch ten aanzien van [eiser 2] , noch ten aanzien van DFF. Verder behoeft
onderdeel 3geen zelfstandige bespreking.
onderdeel 4van het middel. Dat klaagt, dat het hof ten onrechte het aanbod van DFF c.s. om [eiser 2] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] als getuigen te horen heeft afgewezen en dat het hof zonder motivering het aanbod heeft gepasseerd “om getuigenverklaringen uit de strafzaak in het geding te brengen” (de daadwerkelijke klachten lijken echter (ook) op iets anders te zien, zie de bespreking van subonderdeel 4 (i), hierna).
ofnog getuigen zullen worden gehoord. DFF c.s. hebben als reden, dat het bewijsaanbod niet nader wordt toegelicht, gegeven dat de beoogde getuigen wellicht niet langer onbevangen zouden verklaren in de strafprocedure tegen [eiser 2] , indien zij zouden vernemen dat en waarover zij zouden moeten verklaren in de onderhavige procedure. Voor zover dit al aannemelijk is (DFF c.s. hebben een en ander niet gesubstantieerd) lijkt mij dit een omstandigheid die voor risico van DFF c.s. moet komen.
Subonderdeel 4 (i)faalt daarom.
onderdeel 4klaagt over de afwijzing van dit aanbod stuit deze klacht af op strijd met de uit art. 407 lid 1 Rv Pro voortvloeiende eisen met betrekking tot de kenbaarheid van cassatieklachten. [70]
Subonderdeel 4 (ii)is vergeefs voorgesteld.
onderdeel 4van het middel vergeefs voorgesteld.