Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beslissing
16 oktober 2018.
Hoge Raad
Betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. Het hof had geoordeeld dat betrokkene één eerdere succesvolle oogst had gehad en daaruit voordeel had verkregen.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geconcludeerd dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden. Daarbij is overwogen dat een nadere motivering niet noodzakelijk is omdat de middelen geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarna het beroep is verworpen. Tevens is het aanvangsmoment van de redelijke termijn besproken conform art. 81 lid 1 RO Pro.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van het hof en handhaaft de ontnemingsvordering wegens het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de hennepkwekerij.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het oordeel van het hof over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft in stand.