Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
13 februari 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad heeft op 13 februari 2018 uitspraak gedaan in een cassatiezaak tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam uit 2015. De zaak betrof een verdachte die was veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden, waarvan 165 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 240 uren.
De Hoge Raad oordeelde dat er sprake was van een kennelijke misslag in de strafoplegging, omdat het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf hoger was dan de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht. Het hof had immers bedoeld het onvoorwaardelijke deel gelijk te stellen aan de door de verdachte doorgebrachte tijd in verzekering en voorlopige hechtenis. De Hoge Raad verbeterde deze fout door de straf te verminderen tot 261 dagen gevangenisstraf, waarvan 177 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de voorlopige hechtenis.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak pas na meer dan twee jaar na het cassatieberoep werd gedaan. Dit leidde tot een verdere vermindering van de straf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De Hoge Raad benadrukte dat dergelijke kennelijke misslagen bij voorkeur door het hof zelf hersteld dienen te worden om sneller duidelijkheid te verschaffen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot 261 dagen, waarvan 177 dagen voorwaardelijk met proeftijd, met aftrek van de voorlopige hechtenis.