Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de middelen voor het overige
4.Beslissing
30 oktober 2018.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van €1.763.856 oplegde aan betrokkene. Dit voordeel werd verkregen via bedreigingen en intimidaties, die een soortgelijk strafbaar feit vormen in de zin van art. 36e, tweede lid (oud) Sr, in het kader van een criminele organisatie die zich bezighield met heroïne-invoer.
De verdediging stelde dat het ondervragingsrecht van een cruciale getuige was geschonden omdat zij niet volledig kon worden ondervraagd. Het hof oordeelde echter dat de verdediging wel degelijk vragen heeft kunnen stellen, en dat de enkele weigering om een vraag te beantwoorden niet tot bewijsuitsluiting leidt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel, verwijzend naar relevante jurisprudentie over het onderscheid tussen straf- en ontnemingsprocedure en de toepassing van art. 6 EVRM Pro.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel zorgvuldig geschat en onderbouwd met verklaringen, telefoongesprekken, akten en cheques. De Hoge Raad vond geen onjuiste rechtsopvatting of onvoldoende motivering in het oordeel dat de betrokkene voordeel had verkregen door middel van een soortgelijk strafbaar feit. Het beroep werd verworpen en het arrest bevestigd.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen en de ontnemingsvordering van €1.763.856 wordt bevestigd.