Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
5.Beslissing
7 april 2015.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of verklaringen van een inmiddels overleden getuige, die niet door de verdediging konden worden ondervraagd, als bewijs mochten worden gebruikt in een ontnemingsprocedure. De verdediging beriep zich op het ondervragingsrecht uit artikel 6 EVRM Pro, verwijzend naar de Vidgen-jurisprudentie van het EHRM, waarin het gebruik van niet-ondervraagde getuigenverklaringen in strafzaken wordt beperkt.
De Hoge Raad bevestigde dat de ontnemingsprocedure een ander karakter heeft dan de strafprocedure en dat de bewijsregels daarom verschillen. In de ontnemingsprocedure is de rechter gebonden aan artikel 511f Sv, dat bepaalt dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel alleen mag worden gebaseerd op wettige bewijsmiddelen. De Hoge Raad oordeelde dat de regels uit de Vidgen-jurisprudentie niet zonder meer van toepassing zijn op ontnemingsprocedures.
Hoewel de verdediging niet de mogelijkheid had om de overleden getuige te ondervragen, oordeelde het hof dat de verklaringen voldoende steun vonden in andere bewijsmiddelen die betrekking hadden op de betwiste onderdelen. De Hoge Raad verwierp het middel en bevestigde dat het gebruik van deze verklaringen voor de bewijsvoering in de ontnemingsprocedure niet in strijd is met het ondervragingsrecht.
Daarnaast constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure was overschreden, maar verbond hieraan geen rechtsgevolgen in deze zaak. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de verklaringen van de overleden getuige in de ontnemingsprocedure als bewijs mogen worden gebruikt.