Uitspraak
wonende te Rijen, gemeente Gilze-Rijen,
wonende te Vleuten, gemeente Utrecht,
wonende te [woonplaats] ,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
- i) Bij vonnis van 20 augustus 2013 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant is [A] B.V (hierna: [A] ) in staat van faillissement verklaard met aanstelling van eiseres in cassatie onder 2 als curator.
- ii) [A] huurde van [verweerder] sinds 1 oktober 2010 winkelruimte te Nijmegen (hierna: de winkelruimte). [A] exploiteerde daarin een schoenenwinkel.
- iii) De algemene bepalingen behorende bij de huurovereenkomst bevatten een verbod van onderverhuur dan wel in gebruik geven van het gehuurde aan een derde (art. 12.1).
- iv) Bij e-mail van 21 augustus 2013 heeft [verweerder] op de voet van art. 39 Fw Pro de huurovereenkomst opgezegd tegen 1 september 2013, waardoor de huurovereenkomst met inachtneming van de opzegtermijn van drie maanden eindigde per 30 november 2013.
- v) De curator heeft [verweerder] laten weten op zoek te zijn naar kandidaten voor een mogelijke doorstart van de onderneming van [A] .
- vi) Bij e-mail van 3 oktober 2013 heeft [verweerder] aan de curator geschreven:
- viii) Met toestemming van de rechter-commissaris in het faillissement heeft de curator de inventaris en goodwill met betrekking tot de winkel van [A] onderhands verkocht aan [B] B.V. (hierna: [B] ).
- ix) De curator heeft [verweerder] per e-mail van 18 oktober 2013 bericht dat de nog in de winkelruimte aanwezige activa waren verkocht aan [betrokkene 1] (bestuurder van [B] ) en dat zij ervan uitging dat de koper en [verweerder] in overleg zouden treden omtrent het sluiten van een eventuele huurovereenkomst. [verweerder] heeft op 21 oktober 2013 geantwoord dat hij met de koper in overleg zou treden en daarbij herhaald dat het gebruiksrecht van de winkelruimte niet aan de koper verschaft mocht worden voordat een nieuwe huurovereenkomst was gesloten.
- x) Op 23 oktober 2013 heeft [verweerder] ontdekt dat de koper de winkelruimte feitelijk reeds in gebruik had genomen. [verweerder] heeft de curator diezelfde dag per e-mail gesommeerd onverwijld het onrechtmatig gebruik van de winkelruimte te (doen) staken. De curator heeft hieraan geen gevolg gegeven. De curator heeft [B] toegestaan de winkelruimte te gebruiken tot 27 november 2013.
- xi) [B] heeft aan de winkelruimte borden aangebracht waarop stond vermeld ‘faillissementsverkoop’ en vanuit die winkelruimte schoenen verkocht. Over de maanden oktober en november 2013 heeft [B] geen vergoeding voor het gebruik van de winkelruimte aan [verweerder] betaald. Over de maanden december 2013 en januari 2014 heeft [B] op basis van een afspraak met [verweerder] wel een vergoeding voor het gebruik betaald. Een verdere huurovereenkomst tussen [B] en [verweerder] is niet tot stand gekomen.
- xii) Bij beschikking van 22 september 2014 is eiser in cassatie onder 1 benoemd tot opvolgend curator in het faillissement van [A] in plaats van eiseres in cassatie onder 2.
4.Beslissing
9 november 2018.