Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Beslissing
13 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag waarin verdachte werd vervolgd voor het opzettelijk beïnvloeden van een getuige vanuit een penitentiaire inrichting, in strijd met art. 285a, eerste lid, Sr. Verdachte had telefonisch contact met een getuige die betrokken was bij een eerdere bedreiging met een mes.
Het hof had bewezen verklaard dat verdachte de getuige had aangespoord om een verklaring af te leggen met een bepaalde inhoud, namelijk ontkennend over het bezit van een mes door verdachte. De verdediging stelde dat er geen sprake was van beïnvloeding in de zin van art. 285a Sr, omdat de uitingen van verdachte slechts gericht waren op het doen afleggen van een verklaring en niet op de inhoud daarvan.
De Hoge Raad herhaalt de jurisprudentie dat beïnvloeding in de zin van art. 285a Sr vereist dat de uiting ertoe strekt de verklaringsvrijheid aan te tasten door sturing van de inhoud van de verklaring, bijvoorbeeld door ontmoediging van een belastende verklaring of aanmoediging van een ontlastende verklaring. Het is niet vereist dat de uiting ertoe strekte een onware verklaring af te leggen.
In deze zaak concludeert de Hoge Raad dat het hof terecht heeft geoordeeld dat verdachte zich niet beperkte tot het aandringen op het afleggen van een verklaring, maar ook sturende bemoeienis met de inhoud daarvan had. Het verweer dat voor bewezenverklaring vereist is dat de beïnvloeding ertoe strekte een onware verklaring af te leggen, faalt. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de vrijspraak van verdachte.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken van bewezen strafbare beïnvloeding van getuige volgens art. 285a Sr.