Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
20 november 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag. Het geschil draait om de kwalificatie van het bewezenverklaarde feit dat paarden en stieren de nodige verzorging werd onthouden, in strijd met art. 37 (oud) Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (GWWD).
De Hoge Raad heeft overwogen dat er geen sprake is van een systematische specialisrelatie tussen art. 37 GWWD Pro en art. 4 en Pro 5 van het Besluit welzijn productiedieren (oud), zoals bedoeld in art. 55.2 Sr. Dit oordeel is gemotiveerd door de tekst en wetsgeschiedenis van beide regelingen, waaruit niet blijkt dat de wetgever heeft beoogd dat één van deze strafbepalingen als bijzondere bepaling geldt ten opzichte van de ander.
De middelen van cassatie van de verdachte konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering. De Hoge Raad heeft het beroep verworpen en het arrest van het hof bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling wegens het onthouden van verzorging aan paarden en stieren.