Conclusie
Opsporing Verzochtaandacht besteed aan de moord. De verdachte meldde zich daarop bij de politie en legde een bekennende verklaring af. Hij noemde ook de naam van de [medeverdachte] in verband met betrokkenheid bij de strafbare feiten. Daaraan voorafgaand was al een undercovertraject gestart op basis van art. 126j Sv. Deze bepaling bevat de bevoegdheid voor opsporingsambtenaren om – zonder dat zij als zodanig kenbaar zijn – stelselmatig informatie in te winnen over de verdachte. Ook is een bevel ex art. 126l Sv gegeven met het oog op het opnemen van vertrouwelijke communicatie. De in de onderhavige zaak gehanteerde methode behelsde kort gezegd dat undercoveragenten de medeverdachte betrokken bij een gefingeerde criminele organisatie waarin de medeverdachte steeds meer geld kon verdienen, maar waarin hij zijn plek alleen kon behouden als hij het feit waarvan hij werd verdacht zou bekennen. De medeverdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd tegenover enkele van de betrokken undercoveragenten en is daarop aangehouden en vervolgd.
eerste middelbevat de klacht dat de bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde wat betreft de voorbedachte raad niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
tweede middelbehelst de klacht dat het hof het onder 2 bewezen verklaarde ten onrechte heeft gekwalificeerd overeenkomstig art. 157 Sr Pro, aangezien het hof het bewezen verklaarde op de voet van art. 55, tweede lid, Sr overeenkomstig art. 151 Sr Pro had dienen te kwalificeren.